Vorige Start Omhoog Volgende

Geld ...

... in een schulden-economie

Weblog Tegenwicht # 162

16 november 2013

Deel 2 van een korte serie

Deel 1 is # 161: De bomen groeien niet tot de hemel: klik op "Vorige". 

De serie weblogs over De Crisis zijn bijeengezet in Opiniestuk # 61: De Crisis 

Wat is geld?

Geld bestond eerst uit munten van zeldzame metalen. Een muntstuk was zijn gewicht in goud of zilver waard. Als je zo'n munt had, dan had je ook iets. Geld was handig: als ruilmiddel en als rekenmiddel. Door met een munt een zak graan te kopen had je dezelfde waarde maar dan in graan - goud kun je tenslotte niet eten.

Daarna kwam het papieren geld. Vroeger stond daarop: "De Nederlandse Bank betaalt aan toonder: ...". Het goud lag bij de bank en  biljetten kon je in principe in een equivalent aan goud omwisselen. Niemand die dit ook deed, want een biljet is wel zo handig.

Dit geld is dus geen grondstof, geen metaal, geen graan, maar een overdraagbaar krediet bij de bank. Wil dit geld iets waard zijn, dan is het vertrouwen dat er een waarde tegenover staat essentieel. Het briefje "Goed voor een brood van Bakker Bert" is alleen iets waard als dat brood er ook is. De bakker en de bankier garanderen dit; de eerste bakt en de tweede beheert het tegen een redelijk loon.

Felix Martin vergelijkt dit met het systeem van het eiland Yap in de Stille Oceaan. Zij werkten met de fei. Dit waren stenen, van grote tot hele grote. Sjouwde men met stenen? Nee, deze bleven rustig liggen op de bodem van land of zee. Ze wisselden bij handel alleen van eigenaar en men onthield dit. Hier was de munt, de steen, een symbool van onderlinge schulden en tegoeden.

Felix Martin; Geld. De ongeautoriseerde biografie; Business Contact, Amsterdam 2013
Co Welgraven; De crisis voorbij - Wij zullen uit de economische malaise komen, net als de Romeinen; Trouw 28 september 2013

Nu hebben we het virtuele geld. Dit 'staat op de bank' en met onze pinpas dragen we de bank op om het van onze rekening af te schrijven en op die van bakker Bert bij te schrijven. Dit kunnen we doen omdat voordien onze werkgever of uitkerende instantie de bank heeft opgedragen ons loon van hun rekening op de onze over te schrijven. Zo zien we het geld stromen, niet in het echt, wel virtueel. 

We hebben het nu over koopgeld, bestemd voor loon, dus brood. Al die tijd blijft het geld rustig op de bank staan. Dus kan de bank het rustig gaan uitlenen. Geld immers moet stromen. 

Leengeld

De bank boekt dit af op de eigen rekening en boekt het bij op de rekening van de slager die zijn zaak wil verbouwen. Deze maakt het over aan het bouwbedrijf, wat daar weer de lonen van betaalt, waarvan men weer brood kan kopen. De bank verdient iets terug voor loon naar werken: de rente. Nog steeds staat het geld rustig op de bank.

Wel, denkt de bankier, dan kan ik het rustig nog een keer uitlenen. Het schuldpapier staat dan als vordering op de balans, dus als bezit - nu ja, toekomstig bezit dan, wederom gebaseerd op vertrouwen. 

Nu zijn er banken die veel te veel hypotheken hebben verstrekt, ofwel te veel hebben uitgeleend, zonder dat daar een reŽel vertrouwen in de terugbetaling, dus althans in de toekomst, ooit een werkelijke waarde tegenover stond. De winst en de bonussen werden uiteraard wel geÔnd, maar de balans was een vals evenwicht en de bank viel om. Hiermee begon de bankencrisis. 

Ja, oei, de bankier moet zijn personeel wel uitbetalen en hij heeft dus wel saldo nodig. Hij leent dit zelf bij een andere of een centrale bank - of hij verkoopt het schuldpapier. Dit is immers de vordering plus de rente waard. Nu handelt de bank dus niet meer in metalen of graan, noch in koopgeld, maar in leengeld, in schulden. 

Een economie van schulden

Ook de staat heeft geld nodig voor personeel, wegen en onderwijs. Dit geld komt in principe uit de belastingen, maar oei, dit is niet genoeg. Dus leent de staat ook geld bij de bank of via de banken bij particuliere beleggers die staatsobligaties kopen: vorderingen op de staat tegen een afgesproken termijn en rente. De staat zegt en hoopt dit later terug te betalen van de toekomstige belastinggelden. Dit lukt echter niet goed, dus leent de staat andermaal geld om zijn leningen terug te kunnen betalen. Dit noemt men heel mooi "herfinancieren".

Denk niet dat dit nu en dan gebeurt op kleine schaal: het gebeurt dagelijks op grote schaal. Elke dag zijn er in elk land wel obligaties die opnieuw gefinancierd moeten worden. De rente kan dan ook per dag en per land danig uiteenlopen van iets boven de 0% tot een 10% toe, al naar gelang de financiŽle markten vertrouwen hebben in de aflossing ervan. 

ijn "Vandaag" is hier 2009. In juli 2013 komt de lijn uit bij 
428.000 miljoen ofwel 428 miljard. 
Bron: Arjen Nijeboer, De financiŽle crisis en de driegeleding; 
Motief juli 2013

Dit is voor Nederland rond de 400 % van het bruto binnenlands product, ofwel het geld dat de komende vier jaar verdiend 'zal' (?) gaan worden - het wordt nu al uitgegeven. 

Voor Duitsland is dit nu 250%,

voor de VS is dit nu 270%, ofwel 14.300 miljard dollar; 

voor ItaliŽ 300%,

voor Frankrijk 330%,

voor Spanje 360%,

voor het VK nu 500% en

voor het nu toch vrij welvarende en geld-uitlenende China is het een 200%, wat dus geldt als 'laag'. 

Duidelijk is te zien dat de schulden, zeker die in het Westen, ons boven het hoofd zijn gegroeid. Bedenk daarbij dat ook de ondernemers en de meeste huishoudens - denk aan de hypotheken - tezamen een enorme berg aan schulden hebben opgebouwd. 

Deze berg, de omvang van de financiŽle sector, wordt gemeten met de deelsom: 

BKr          De hoeveelheid uitstaande bankkredieten
----     =    -----------------------------------------------------
BBP          het bruto binnenlands product

Deze was 

in 1990: 86%

in 2013: 226%, dus ...

meer dan twee maal 'de economie'. Deze is ...

... ruim boven Denemarken, Zweden of Portugal en 

drie maal zo hoog als in ItaliŽ, Japan of Frankrijk. 

Dus, terwijl de staatsschuld nu al zorgen baart, zijn de particuliere schulden net zo zorgelijk. De optimale verhouding is er een van 100%, waarbij dus het krediet-totaal gelijk opgaat met 'de economie' gemeten als het BBP - een punt dat in 1995 al gepasseerd werd. 

Het kredietcijfer moet dus gaan krimpen, willen we weer een gezonde economie scheppen. Dat cijfer krimpt door minder (uit) te lenen, door af te betalen ... en door faillissementen annex schuldkwijtschelding. Dit zuigt wel de koopkracht uit de economie en leidt dan op zijn best tot een nulgroei. 

"Gezien de hoogte van de schuld wordt dat een langdurig proces. Laten we zeggen een decennium aan nulgroei en recessie. [... Maar] in die zin is de crisis ook een kans om recht te zetten wat sinds de jaren '90 scheefgegroeid is."

Dirk Bezemer; krimp die bankensector in, dan is pas groei mogelijk - Economische groei kan niet zonder financiele krimp. Onze schulden, vooral in huizen, zijn te hoog; NRC 19 november 2013

Het IMF legt een grens bij 110%. Groei daarboven gaat ten koste van de rest van de economie omdat het mensen en middelen wegtrekt van de andere sectoren: crowding out genoemd. 
 

Cees Banning & Jeroen Wester; Bankier draait lekker - op kosten van het collectief; NRC 22 november 2013

Ook de banken zelf blijven overeind door onderlinge leningen. Dreigt een bank te vallen, dan schiet de staat te hulp ... door geld te lenen bij andere banken of particulieren. Dit helpt niet of slechts tijdelijk, want banken hebben meer echt en eigen kapitaal nodig, niet meer onecht geleend kapitaal, niet meer schulden. 

We leven dus in en schulden-economie. Er is in feite weinig bezit - ja, gebouwen die minder waard worden en machines die verouderen - het 'bezit' bestaat tegenwoordig uit schuldpapieren. De handel is er een in schulden: in voorschotten op groei in de toekomst. Geen wonder dat er paniek ontstaat als de groei stagneert: hoe kan ik ooit mijn schulden terugbetalen? En: krijg ik ooit mijn geld wel weer terug? 

Bronnen: (o.a.): 

Maarten Schinkel; Het kapitalisme zoals wij dat kennen is uit de hand gelopen; NRC 12 augustus 2011

Frank Mulder; De Mammon is dood en wij hebben hem vermoord; De Groene Amsterdammer 17 oktober 2013

De banken en de staat

We hebben nu meegemaakt dat er banken dreigden om te vallen, terwijl de banken nu toch echt onmisbaar geworden zijn voor het financiŽle verkeer, dus voor de gehele economie, dus voor de bestaande welvaart - weliswaar even geleend van de toekomst, maar toch. 

Dus ging de staat de banken steunen of zelfs kopen - en hier gaat het niet om kwartjes. Hoe komt de staat aan dit geld? Soms laat men gewoon geld bijdrukken, wat het geld als geheel wel minder waard maakt - iets dat prettig is voor wie schulden heeft, want het afgesproken bedrag is dan feitelijk minder waard. Meestal leent de staat het ... bij de banken. In laatste instantie is het dan toch wel de belastingbetaler die de banken overeind houdt. Zo zijn de staten en de banken in een wederzijdse wurggreep terechtgekomen. 

Snelle banken, trage staten

Er zijn vijf ontwikkelingen hier van invloed. 

  1. Voor de staten geldt dat zij in de afgelopen decennia toch wel aardig democratisch zijn geworden. De democratische besluitvorming is echter traag. Het is nu niet meer de dictator die even snel een besluit neemt, nee, democratische besluitvorming kan vele maanden in beslag nemen. Als er verkiezingen naderen staat de hele besluitvorming zelfs vrijwel even stil. 

  2. Dit geldt nog in hogere mate zodra staten gaan samenwerken, zoals in Europa. Besluitvorming op dit niveau duurt nog weer heel wat langer.
     

  3. De informatietechnologie heeft zich razendsnel ontwikkeld. Handelde men vroeger letterlijk op de beursvloer, bekrachtigd door papieren en handtekeningen, gevolgd door analyses en indexen zoals de AEX - nu gebeurt dit elektronisch binnen een of enkele minuten, tegenwoordig vaak zelfs binnen seconden omdat men hiervoor software aan het werk zet. 
     

  4. Voor staten en banken beide geldt dat er een proces van globalisering heeft plaatsgevonden. Geen staat of bank is meer onafhankelijk. Ontwikkelingen in de VS, pakweg een rente- verhoging of verlaging, dan wel binnen China, pakweg een flinke uitlening of investering, maar ook die in andere verre landen waar de politiek ineens instabiel wordt, dit alles heeft directe invloed op de gang van zaken hier. 
     

  5. Een belangrijke ontwikkeling is die van de liberalisering en privatisering. In de stroom van het heersende neoliberalisme heeft de staat erg veel uit handen gegeven in de verwachting dat 'de markt' het beter zou doen: hier de post, het openbaar vervoer, het geldverkeer, de telefoon en gaandeweg ook nog de zorg en meer. Daardoor is de staat onmachtig geworden, afhankelijk van 'de markt'. 

Waarde 

Er wordt uiteraard nog wel gehandeld in grondstoffen en producten. Stoffen delven en producten maken voegen waarde toe aan de balansen, aan de economie. De handel is nu echter een heel eind verschoven naar de handel in geld, gevolgd door de handel in schulden. 

Deze handel voegt geen waarde toe. Er gebeurt niet meer dan het heen en weer schuiven van geld of schulden tegen een (vaak exorbitant hoog) arbeidsloon en enige tijdelijke winst. 

Dus vermindert deze handel de waarde die tegenover geld en schuld moet staan om de balans in evenwicht te houden, zoals er goud moet zijn om "De bank betaalt aan toonder" waar te houden en er broden moeten zijn om "Goed voor een brood" iets waard te laten zijn. 

Risicogeld

Na het koopgeld en het leengeld kwam het risicogeld: men verzekert zich tegen onheil. Economisch gezien is dit een vorm van gezamenlijk sparen. Nu worden echter ook leningen verzekerd. Dit is van nut voor het geval iemand overlijdt en zijn schuld niet kan terugbetalen. Al dit risicogeld, vrij veel dus, gaat rond maar voegt geen waarde toe. 

Riskanter wordt het als men zich verzekert tegen de groei van de rente op een bestaande lening met wisselende rente, derivaten of credit swaps. Gaat de rente omhoog, dan wordt dit gecompenseerd. Maar de rente ging fors omlaag; in dit geval moest men volgens het contract een fors bedrag betalen een de bank. Woningbouwvereniging Vestia en anderen zijn eraan kapot gegaan. 

Intussen loopt de verzekeraar dus ook risico's, dus ... verzekert ook hij zich; men spreekt van herverzekeren. Het geld is intussen een kluwen van geldstromen geworden, maar nog steeds is er geen waarde toegevoegd. 

Investeringsgeld

Ja, dit is er ook nog. Van de hoeveelheid beschikbaar geld, al dan niet geleend, wordt een deel geÔnvesteerd in de toekomst: onderwijs, onderzoek, innovatie, infrastructuur. Dit is verstandig. Het voegt nu nog geen directe waarde toe, maar wordt geacht dit in de toekomst wel te doen. 

inflatie, deflatie, betalingsbalans

In feite wordt het geld steeds minder waard, door de genoemde handel in schuld en door het al genoemde geld bijdrukken. In feite rekent men hier al op. Men rekent op 2% inflatie (geldontwaarding) per jaar per land, waardoor ook de schulden met 2% in waarde dalen. Als tegenover de 2% inflatie ook 2% groei staat, kan de staat met een gerust hart een begroting met 2% tekort kan opstellen. 

Het klinkt vreemd, maar deflatie (het geld wordt meer waard) wordt als ongewenst gezien, soms zelfs een ramp genoemd. Dit komt omdat, als de euro meer waard wordt, de geŽxporteerde producten duurder worden, de export en dus de hele economie stagneert. 

Omgekeerd geldt dat de export ook weer niet te veel groter mag worden dan de import, ofwel dat er geen te groot overschot mag zijn op de betalingsbalans. Dit zorgt dan elders voor tekorten op de betalingsbalans. Er is dan 'te veel geld' - lees: 'te weinig schuld' - en te weinig consumptie, dus te weinig groei. 

Groei vindt men dus noodzakelijk. Zelfs China heeft er iets voor over: tijdens het bezoek van onze premier aan dat land, dezer dagen, bracht hij, Nederland getrouw, de mensenrechten daar ter sprake. Deze zullen op korte termijn verbeterd worden, zei zijn collega daar ...

"... omdat die bijdragen aan meer creativiteit, die nodig is voor economische groei."

Mensenrechten zijn geen hobby van China, maar ja, voor de groei van de economie moet je toch iets over hebben. 

Zelfs in China, dat relatief goed in het geld zit - lees: relatief weinig schulden heeft - klaagt de regering dat de mensen te veel sparen en te weinig consumeren. Het geld blijft dan maar 'op de bank staan', terwijl geld moet stromen. 

Het lijkt op het advies van onze premier Mark Rutte om niet te sparen, niet af te lossen, maar te kopen. Consumeren is blijkbaar inherent aan ons economische systeem, meer zelfs dan sparen en aflossen. 

'Geld over' is dus eigenlijk niet goed voor de economie. Maar door de liberalisering en privatisering staat de staat hier machteloos. Mark Rutte kan ons alleen beleefd adviseren een nieuw bankstel te kopen, hij kan het niet afdwingen, gelukkig maar. 

Het is 'de onzichtbare hand van de markt' die hier regeert, niet de staat, eerder de in onze samenleving overvloedige reclame. De arme ondernemers kunnen hun bankstellen aan de straatstenen niet kwijt. Daarom rollen hier elke week meerdere reclamebladen in de bus met bankstellen die in geen enkel huis van deze woonbuurt zelfs maar zouden passen. 

Goed, OK, dan maar plastic bankstellen op de stoep. Ze verschijnen hier in de buurt veelvuldig, evenals scooters. Consumeren, mensen, redt het land! Dit moet, niet van de staat, wel van 'de economie'; deze kan niet zonder groei. Geen geld? Leen het dan! 

De hele huidige economie is dus gestoeld op leengeld tegen kosten zonder productie van waarde, dus op vermindering van de waarde van het geld, wat men door groei weer hoopt op te vangen. Dit moet dan wel groei in waarde zijn, dus in grondstoffen en producten die verkoopbaar zijn, zoals plastic bankstellen en scooters: door wat 'de maakindustrie' heet, liever dan door alleen handel. 

Dus is de noodzaak van groei inherent aan het huidige systeem en raakt men in paniek als de groei stagneert, zeker in de tijd dat 'geld' nu in feite van de toekomst geleend geld is - van onze kleinkinderen zogezegd, althans van hun toekomstige geld. 

Over dit systeem zelf, het late en neoliberale kapitalisme genoemd, moeten we het dus nog eens even gaan hebben voor de boel helemaal vastloopt. 

Grens

Omdat er geen waarde wordt toegevoegd, wordt het geld dus steeds minder waard: inflatie; dit 'moet' zelfs gebeuren met 2% per jaar per land, waarbij men rekent op 2% groei, elk jaar weer, liefst meer. Voor de groei lenen we vier jaar vooruit van toekomstig 'geld' - lees: te herfinancieren schulden. Als de groei stagneert, stagneert het hele systeem. Dit is 'de crisis'. 

"Oplossing" 1: Consumeren! Kopen, kopen, kopen, dus lenen, lenen, lenen! Redt het land uit de crisis! 

Oplossing 2: Erken dat we met dit systeem ooit eens op een grens zullen stuiten - dat we die grens nu meemaken en als realiteit moeten erkennen - en over het systeem zelf moeten gaan nadenken; kritisch svp.

Om dit te kunnen doen, zullen we eerst nog eens even stil moeten staan bij ons economische systeem zelf: het late en financiŽle kapitalisme. Maar dat verhaal moet een volgende keer maar eens verteld worden.

De serie weblogs over De Crisis zijn bijeengezet in
Opiniestuk # 61: De Crisis 

Vorige Start Omhoog Volgende