Start Omhoog

Citaten uit

Verkwanseling van het conservatisme

Hans Achterhuis, Trouw 25 oktober 2003

'Gebiologeerd door de jaren zestig als het absolute kwaad nemen Spruyt en Visser juist de slechtste en gevaarlijkste kenmerken uit die tijd over', vindt de Twentse filosoof Hans Achterhuis. Zo is het Conservatief Manifest doortrokken van 'een utopisch geloof in een betere toekomst' en 'kortademige politieke programmapunten'. Kortom: het manifest is niet conservatief.

Zelden heb ik een tekst gelezen die zozeer de geest van de jaren zestig ademt als het Conservatief Manifest van Bart Jan Spruyt en Michiel Visser. Het hele stuk is doortrokken van een maakbaarheidideologie die sterk doet denken aan de ergste overdrijvingen van de jaren zestig, waar het Manifest nu juist tegen gericht heet te zijn.

Als burgers en als overheid moeten we van alles, en als we dat allemaal maar netjes uitvoeren, lijkt de conservatieve utopie om de hoek klaar te liggen. De recepten voor alle kwalen van de hedendaagse crisis worden ons op een presenteerblaadje door het zogeheten conservatieve denken aangereikt.

[...]

Het idee dat deze [... voorstellen] misschien ook wel eens averechts zouden kunnen uitpakken, dat ze zouden kunnen leiden tot toenemende maatschappelijke spanningen en achteruitgang, van Verelendung om dit oude begrip van Marx maar weer eens van stal te halen, komt niet bij de auteurs op. Daarvoor is hun utopisch geloof in een dankzij hun recepten bereikbare betere toekomst te absoluut.

Ik schrijf hierboven met nadruk 'zogeheten conservatieve denken'. Want maakt het Manifest met enig recht aanspraak op het begrip 'conservatisme' of verkwanselt het dit juist?

Als ik Bart Jan Spruyt in zijn fraaie boek Lof van het conservatisme goed begrepen heb, is het conservatisme noch activistisch noch gericht op een maakbare betere samenleving.

[...]

Terecht merkt Spruyt [in zijn boek] op dat het niet zozeer om 'programmapunten' als wel om 'ideeŽn' moet gaan. Om die ideeŽn uit te dragen, werd de Edmund Burke Stichting als conservatieve denktank opgericht.

Hoe kan dezelfde Spruyt nu ineens een manifest het licht doen zien waarin de conservatieve ideeŽn ingeruild zijn voor een groot aantal zeer kortademige politieke programmapunten? Is het succes van Fortuyn hem naar het hoofd gestegen? Meent hij een beweging ŗ la de LPF te kunnen opzetten, omdat 'het conservatieve moment' eindelijk aangebroken zou zijn?

[...]

Als we van de programmapunten naar de ideeŽn gaan, blijkt de zaak inderdaad veel ingewikkelder te liggen dan de auteurs van het manifest suggereren. Alleen al de erfenis van de zo vervloekte jaren zestig, waarvan ik niet genoeg kan herhalen dat die vooral in de jaren zeventig vielen, is veel ambivalenter dan Spruyt en Visser voorstellen. Dat Fortuyn toch grotendeels een kind van die jaren was, is door velen reeds opgemerkt.

Dat het Conservatief Manifest dan ook impliciet veel uit die tijd overneemt, heb ik al betoogd toen ik naar de vorm en de stijl ervan verwees. Wat dit laatste betreft kan ik het niet laten om er toch even op te wijzen dat 'visa' en 'media' meervoudsvormen zijn en dat het gepraat over 'de visa's' en 'een media' iemand als J.L. Heldring, de aartsvader van het huidige Nederlandse conservatisme, ongetwijfeld tot een beschouwing over de verloedering van de huidige cultuur zou hebben verleid. Het omvangrijke educatieve programma dat de schrijvers voorstellen dient kennelijk nog meer te omvatten dan zij zelf denken.

Maar niet alleen de stijl, ook de inhoud doet vaak denken aan het erfgoed van de jaren zestig. Om maar even naar mijzelf te verwijzen, een aantal zaken uit het Manifest - van zelforganisatie van burgers tot hervorming van de verzorgingsstaat - werd ook door mij in De markt van welzijn en geluk (1979) naar voren gebracht. Dit boek werd een bestseller omdat het volgens velen de geest van de jaren zestig en zeventig zo perfect uitdrukte. 

Kennelijk zat die geest ingewikkelder in elkaar dan de auteurs in hun kruistocht tegen de jaren zestig vermoeden. En kennelijk hebben zij ook een tik van de molen uit die tijd meegekregen. Want wat moeten we denken van hun idee 'rechters rechtstreeks door de bevolking te laten kiezen'? Zelfs in de doorgeschoten democratiseringsgolf van de jaren zestig is niemand zover gegaan. Dit voorstel heeft niets meer te maken met wat als conservatisme te boek staat, het is een vorm van populisme die de beroemde machtenscheiding, die conservatieven altijd zo na aan het hart ligt, opgeeft en de dynamiek van de samenleving verhevigt in plaats van afremt en in goede banen leidt.

Kortom: als de Edmund Burke Stichting weer tijd voor analyse van ideeŽn in plaats van het lanceren van programmapunten krijgt, zou ze eens een diepgaande studie van de jaren zestig moeten maken.

Twee voorlopige schoten voor de boeg hiervoor wil ik graag geven.

In de eerste plaats verwijs ik nog een keer met nadruk en instemming naar Lof van het conservatisme. In dit boek presenteert Spruyt portretten van een aantal conservatieve kopstukken. Welnu, het is uitermate verrassend dat een aantal van hen juist de helden van de jaren zestig was.

[...]

Nogmaals: het denken van de jaren zestig was ingewikkelder dan Spruyt en Visser suggereren en conservatieve en progressieve maatschappijkritiek zijn op vele wijzen met elkaar vervlochten.

Dat de auteurs van het Conservatief Manifest dit totaal niet inzien, komt in de tweede plaats door het mechanisme van 'intellectuele rivaliteit' dat Dick Pels al lang geleden fraai analyseerde. Met elkaar strijdende intellectuele tradities zijn vaak blind voor wat ze gemeenschappelijk hebben.

Sterker nog, juist in het expliciete felle zich tegen elkaar afzetten blijken ze impliciet meer en meer van elkaar over te nemen. 'Het conservatisme is de aartsvijand van het linkse progressieve denken ... dat de jaren zestig ons heeft gebracht', zo klinkt de grondtoon van het Manifest. Gebiologeerd door de jaren zestig als het absolute kwaad nemen Spruyt en Visser helaas juist de slechtste en gevaarlijkste kenmerken uit die tijd over.

[...]

Het vergt [...]veel denkwerk om de conservatieve ideeŽn voor de 21ste eeuw te concretiseren en het vergt vervolgens nog meer vertaalwerk om die op de politieke werkelijkheid toe te snijden. Dat gaat niet in een vloek en een zucht, zoals de beweging van de jaren zestig uit de vorige eeuw ontdekt heeft.

De maatschappelijke werkelijkheid is weerbarstiger dan een optimistische maakbaarheidsfilosofie veronderstelt. Het soort conservatieve revolutie (op zichzelf al een contradictio in terminis) dat het Conservatief Manifest belooft, is dan ook gedoemd te mislukken. Het lijkt belangrijker dat Spruyt en Visser het conservatieve gedachtegoed verder uitwerken dan dat ze in navolging van Marx en Engels, die als eersten een (communistisch) Manifest schreven, politieke retoriek gaan beoefenen.

 

Start Omhoog