Vorige Omhoog Volgende

 

3. DIE VAN ONS DOEN ZOIETS NIET! 

 

Randall staat in hoofdstuk 10 stil bij de Victoriaanse inspanningen seksualiteit in z’n algemeenheid en bij kinderen in het bijzonder te bestrijden en te onderdrukken. Het seksuele bij kinderen kon dan misschien niet totaal ontkend worden, het kon wel ziek worden verklaard. “Normal children, they insisted, would not do things like that” (p. 40). 

En nog verbijsterd over het succes van die campagne constateert hij hoe allerlei ouders, daarin gesteund door allerlei deskundigen, tot op de dag van vandaag voor zeker houden dat hun kinderen - die toch zeker gezond zijn - allerlei gedragingen en gevoelens op seksueel gebied niet hebben. 

Daaruit kunnen we met Randall zeker iets concluderen omtrent een bedenkelijk gebrek aan kennis over wat kinderen werkelijk meemaken. Maar hebben al die mensen dan, te beginnen met de deskundigen, seksuele voorlichting over kinderen nodig?  

Sinds Lea Dasberg’s (1994) GROOTBRENGEN DOOR KLEINHOUDEN legde ik ouders, leraren en andere opvoeders in gesprekken over opvoeding en vorming van (hun) kinderen de vraag voor in hoeverre zij meenden aan te sluiten bij de echte ervaringswereld van de kinderen, hoe realistisch hun visie op de wereld van hun kinderen was. Het was een verwarrende, zelfs wat pijnlijke vraag, maar wel een die telkens weer terzake bleek. 

Naar mijn waarneming en naar wat ik van kinderen te horen en te zien kreeg, ging menig sermoen niet alleen over hun hoofd heen, maar ook voorbij aan wat ze werkelijk meemaken - en dan met name op het taboe-terrein bij uitstek: op voor hen belangrijke levensgebieden zoals lustbeleving, erotische gevoelens en seksuele ervaringen. En ook nu bezweert menig ouder en leraar, zoals destijds onze ouders en opvoeders dat deden over ons, met de hand op het hart: ” Die van ons doen zoiets niet!...”  Het iets in deze hartekreet staat en stond dan voor zoiets vies, smerigs, zondigs en onbenoembaars ... als seks dus, en de hartekreet zelf geldt en gold de meisjes evenzeer als de jongens. [*10]

Maar òf we dat deden TOEN, en òf ze dat doen NU! Niettemin, onze ouders en opvoeders waren te goeder trouw, logen niet, geloofden met de hand op hun hart dat wij zoiets niet deden - we hadden namelijk feilloos geleerd te verzwijgen wat niet gewenst was en niet te tonen wat verboden was. 

Een paar jaar terug boekstaafde ik eens mijn terugblik op mijn eigen jeugd aldus:  

“Op het terrein van erotiek, intimiteit en seksualiteit heb ik - buiten de eerder genoemde, als zeer negatief werkend ervaren algemene infantilisering en repressie door kerk en staat - als kind en jeugdige nooit echt gewelddadige ervaringen met leeftijdsgenoten en volwassenen meegemaakt. 

Wat ik mee heb gemaakt met leeftijdsgenoten en met ouderen (het meeste vele malen gebiecht) herinner ik me vrijwel allemaal nog uitstekend - als afwisselend en soms tegelijkertijd spannend, schaamteloos en schaamtevol, genietend-lustvol, protesterend en provocerend, de groeiende eigenheid en onafhankelijkheid veroverend en bevestigend.

Ongewenste intimiteiten  die ik onderging van leeftijdsgenoten en van volwassenen kan ik nog precies onderscheiden van de gewenste (en voor een deel gehoopte...). Steeds duidelijker leefden we - waar het erotiek, intimiteit en seksualiteit betrof - in een eigen, van de volwassenen volslagen gescheiden wereld. Alleen de biechtvader kreeg daar (tot een bepaalde leeftijd van ons) als een soort Gods eigen under-coveragent wat van mee, zij het volkomen geïsoleerd van ons echte leven en beleven. De reguliere opvoeders stonden daar buiten, wisten daar niets van: DIE VAN ONS DOEN ZO IETS NIET...

Eigenlijk is dat afscheidingsproces  al in de wieg begonnen. We leerden al heel vroeg en geleidelijk aan feilloos aanvoelen en zien en later ook begrijpen wat we wel en wat we beter niet konden vertellen en laten zien, met name op het taboe-terrein seks en, als groeiende grondhouding, op persoonlijke belevings-terreinen in het algemeen. 

Mede daardoor en bepaald niet volgens intentioneel plan van de heersende opvoeding en gestuurde socialisatie! ontwikkelden we onze eigen identiteit en zelfstandigheid, op wezenlijke gebieden dus los van de volwassenen en opvoeders. Het geldt bij mijn weten voor een belangrijk gedeelte nog steeds en weer opnieuw. Wat gebeurt er toch met mensen als ze volwassen opvoeder worden: valt hun geheugen over hun eigen kindheidservaringen in duigen? Is de intensieve verdachtmaking van hun lust- en sekservaringen van toen als slecht en als iets waar ze zich zo diep over moeten schamen, dat ze het zelfs (en vrijwel collectief) maar beter verdringen, inderdaad zo effectief?”  

Als we hier dan eens de analyse van deskundigen omtrent traumatische geheimhouding naast leggen, dan mis ik iets elementairs daarbij. 

Naar mijn inzicht is het juist te stellen, dat het geheim moeten houden, het niet kunnen delen van ervaringen van seksueel misbruik datgene is wat traumatiserend werkt. Maar toch is deze analyse, en de eraan verbonden aanbeveling om te spreken, naar ik vrees een niet begrijpend napraten van slachtoffers, een redeneren in het luchtledige en een illusie, waarmee ondertussen heel wat kinderen danig klem worden gezet, alleen al trouwens omdat eenvoudig alles wat met seks te maken heeft tussen volwassenen en kinderen seksueel misbruik wordt genoemd. Maar ik doel op iets anders. 

Met het probleem van het echte seksueel misbruik en de traumatische dwang en drang tot geheimhouding wordt iets zichtbaar van een tragedie die erin bestaat dat de generaties op belangrijke levensgebieden naast elkaar, los van elkaar leven.

Het is inderdaad een groot goed als je in nood kunt praten en het is treurig als dat eens niet kan; maar het is een tragedie als zelfs de voorwaarden tot spreken ontbreken. In dit geval gaat het dunkt me bovendien om een tragedie die geen toeval is noch een individueel noodlot, maar een die (historisch) innig samenhangt met kerk en samenleving en die overgedragen wordt via opvoeding en socialisatie, bij mijn generatie al en heden ten dage vooral via massa- en publieke opinie bespelende media.

Het bestaan van deze kloof tussen de generaties is het grote taboe dat niet doorbroken wordt door de onthullingen en publicaties van de laatste jaren. Integendeel, als ik dit juist zie dan zullen de speciale en indringende campagnes gericht op kinderen en jongeren, om vooral te spreken over nare seksuele ervaringen, de kloof alleen maar wijder maken en het taboe, de blinde vlek (dat er simpelweg geen basis voor een gesprek is over welke intimiteit dan ook) versterken. [*11]

CHILDHOOD AND SEXUALITY voorziet in een leemte dus. 

Want het hele boek staat danig vol met belevingen die actualiteit zijn voor jongeren. Het is confronterende informatie voor de lezer die daar buiten staat. 

Mijn generatie heeft toen lijfelijk ervaren, wat we ettelijke jaren later theoretisch en bewust leerden begrijpen: eigen keuzemogelijkheden inzake intimiteit, erotiek en seksualiteit maken je onafhankelijk(er) van de machthebbers. Het handhaven van de kloof was voor ons van het grootste belang. Publicaties als van Van Ussel (1968, 1976) en Theweleit (1982) hebben ons sleutels aangereikt om te begrijpen waarom uit alle macht geprobeerd was ons onze keuzemogelijkheden te onthouden. [*12]  

Eigenlijk is deze kloof wel degelijk voortdurend aan de orde in discussies over misbruik, maar ik kan de indruk niet van me afzetten dat de bedenkers van preventiecampagnes en ook Randall de kwestie deerlijk onderschatten. Voortdurend zie je de vraag opwerpen hoe de vertrouwenskloof tussen kinderen en volwassenen voor de kinderen geloofwaardig te overbruggen is. Hoe verleiden we de kinderen tot spreken?

In Nederland hadden we een jaar lang een landelijke voorlichtingscampagne tegen kindermishandeling, gericht op kinderen, met als titel OVER SOMMIGE GEHEIMEN MOET JE PRATEN. [*13] En meteen zie je de problemen opduiken: over welke geheimen precies, en wie is nou nog te vertrouwen? 

Randall bepleit het oprichten van een “well-staffed counselling service”, wellicht vergelijkbaar met ‘onze’ Vertrouwensgroepen in het voortgezet onderwijs. [*14] Die moeten wel, zou ik zo zeggen, nog het vertrouwen van de kinderen c.q. jongeren zien op te bouwen en vast te houden. En hoe zouden ze dat moeten doen, wat was ook al weer hun basis? Nog geen 10 procent van deze en dergelijke ‘professionals’ is de eerste keuze van de kinderen, blijkens een eigen onderzoekje van Randall hiernaar. Ja, natuurlijk; tenslotte hebben de kinderen (dagelijks, intiem, vertrouwelijk, normaal) toch allereerst te maken met ouders, broers of zussen, directe familieleden, buren en vrienden.

Maar als die optie voor een aantal kinderen al voorhanden is, dan wordt die verheugende mogelijkheid vandaag toch met niet aflatende inzet uit de weg geruimd. Want, zo leren de deskundigen in de diverse preventieprogramma’s en -campagnes, juist vertrouwelijke, intieme vriendschapscontacten met volwassenen blijken een adder onder het gras te kunnen bevatten. De yes/no-feelings daarvoor, de eigen antennes, blijken namelijk ook al niet meer te vertrouwen! 

Die feeling wordt - ik kom er zo op - in de voorlichtingsprogramma’s consequent zo belicht ofwel ‘ingevuld’, dat de mogelijkheid daarop nog te vertrouwen als correcte richtingwijzer zonder omwegen om zeep wordt geholpen. Het zelfvertrouwen, het eigen spontane weten omtrent wie aardig is staat onder de druk van het nieuwe schuld- en schaamtegevoel voor de eens te meer mistige, risicovolle seks. Als het om intimiteit en seks gaat zijn volwassenen, vooral de aardige, dierbare die je in vertrouwen zou willen nemen, juist potentiële vijanden!

Randall kan een dergelijke levensvreemdheid niet in de schoenen worden geschoven; maar zo’n counselling service, zouden daarbij ook kinderen terecht kunnen, die last hebben van seksuele problemen als zelfbepalingsprobleem? Bij de Werkgroep S.i.R. Maastricht klopten ook kinderen aan om hulp tegen de bedreiging, door ouders of omgeving, van hun vriendschapsrelatie met een volwassene. Zou dit probleem ook bespreekbaar gemaakt kunnen worden?...  

Je zou zeggen dat de voorlichtingsprogramma’s er, zelfs bij voorhanden zijn van reële vertrouwens-personen, menigmaal alleen maar toe bijdragen dat in ieder geval het ‘gebied van het seksuele’ onbespreekbaar wordt gemaakt. 

Een voorbeeld. 

In de klassieke voorlichtingsfilm FEELING YES, FEELING NO, in het Nederlands MIJN LIJF IS VAN MIJ [*15] wordt kinderen geleerd (klassikaal oefenend) ‘nee’ en ‘ja’ te zeggen, uitgaande van hun eigen gevoel - zeer vooruitstrevend; dat lijkt prima op het eerste gezicht. Maar bij nader inzien, bij nader toezien vooral, blijkt dat kinderen ‘ja’ (mogen) zeggen tegen volkomen onschuldige, a-erotische, a-seksuele gevoelens en ervaringen, maar ‘nee’ (moeten) zeggen tegen alles en iedereen zodra er een associatie met seks en erotiek te maken is. 

De in één van de klassen getoonde gêne bij kinderen als ze moeten praten over seks en intimiteit met de juf wordt zelfs krachtig gevoed, doordat deze onderwerpen klassikaal zonder omwegen dreigend geassocieerd worden met misbruik, geweld en criminaliteit. 

Prima is, meen ik, dat knuffelen etc. niet wordt geseksualiseerd. Ik vind het echter nogal bedenkelijk dat àlle gevoelens, belevingen en verlangens die naar erotiek, seks of lichamelijke lustbeleving neigen, vertaald, verschraald en - jawel - gedeseksualiseerd worden tot knuffelen etc. 

Aldus bestaan er - kinderen, weet dat voor nu en altijd - twee soorten gevoelens en benaderingen: aan de ene kant knuffelen, aaien en strelen; die zijn ongevaarlijk, want a-erotisch, a-seksueel; als je die fijn vindt, OK; als je die niet op prijs stelt, laat dat dan eerlijk en krachtig weten, pik het niet. En aan de andere kant de criminele, gevaarlijke, mysterieuze, op je geslachtsdelen gerichte, de “private parts” betreffende aanrakingen van volwassenen; daar moet je bang voor zijn, want anders... 

Maar het hele resterende gebied, dat dagelijkse praktijk is voor veel kinderen, komt hier eenvoudig niet aan de orde. Wat een schaamte, wat een verwarring wordt hier gezaaid. Hier wordt de oude bangmakerij van het rijke Roomse en Calvinistische leven van de jaren 50 opnieuw geïntroduceerd, nu als een Amerikaans-Canadees ei van Columbus. Wie beschermt de kinderen tegen deze ook als preventie aanbevolen kindermishandeling? [*16]

Leerde ons destijds de pastoor dat seks met jezelf - laat staan met een ander, groot of klein - doodzonde was maar, oh wonder! heilig als je getrouwd was, de eigentijdse seksueel misbruik-deskundige leert ons nu dat seks - in ieder geval met groot - doodgevaarlijk is, traumatiserend tot in het derde geslacht. 

Laat de lezer vooral niet menen dat ik badineer, of me, blind voor de ellende van feitelijke slachtoffers, een beetje aan afstandelijke ironie te buiten ga. Ik ben juist ernstig en citeer slechts. Ik citeer de enormiteit van de ‘deskundigen’ die bijvoorbeeld betogen dat incest moord is en vervolgens alles wat maar enigszins met seks te associëren is tot zo’n incest verklaren zoals het hun goeddunkt, al bezweren ze dat hier de slachtoffers zelf spreken. [*17]  

Wat moeten we denken van de deskundigen en van hun bereikbaarheid voor jongeren? 

De deskundigen, die nota bene in op kinderen gerichte campagnes beweren dat “kinderen nooit schuldig zijn” als het om ‘seks’ met volwassenen gaat, en die zich niet realiseren dat ze daarmee kinderen meteen ontoerekeningsvatbaar verklaren en tot wezens maken  die categorisch geen eigen interesse en motief terzake kennen. 

Maar, zo opperen de hulpverleners, politiemensen, preventie-werkers en leraren in discussie over dergelijke zaken, we komen die kinderen met zulke positieve ervaringen binnen of buiten de familie doodsimpel niet tegen; je kunt ons nog meer vertellen! Dat de Wetgever met het klachtdelict-artikel erkent (erkende, anno 2002, want inmiddels afgeschaft...) dat tieners, jongeren tussen 12 en 16 wel zelf kunnen beslissen met wie zij wel of geen seks hebben, is bij velen niet eens bekend en wordt door de anderen meestal niet erg serieus genomen.

En de ouders van nu, 

deze generaties die met hun kinderen zó ontmythologiserend zijn verlicht, die van zo’n alles doordringende informatie zijn vergeven dat je d’r niet goed van wordt, hoe houden die zich hieronder? 

Zij leren met hun kinderen van de eigentijdse deskundigen alles over de traumatiserende gevolgen van seksueel misbruik en seksuele kindermishandeling binnen en buiten het gezin, over wat allemaal seksueel misbruik is. Kunnen zij tegenover deze furie nog uiting geven aan wat zij als waardevol beleven samen met hun kinderen of weten zij zich vogelvrij? 

Als ik in de juist genoemde discussie met ‘deskundigen’ dan meld dat ik die kinderen wèl tegen kom, dus kinderen-in-relatie-met-een-volwassene en die dat nog appreciëren ook, dan... nog even en dan suist de valbijl, ‘pedofilie-lobby!’; een afsluitend vonnis dat meteen is bedoeld als bewijsvoering; een beetje veel invalide bewijsvoering, mag ik wel zeggen. Het geeft me een tamelijk helder beeld van wat zelfbewuste, aardige, warme ouders inmiddels boven het hoofd hangt.  

Hoe komt het dat WE, volwassenen, hulpverleners en (andere) deskundigen, die kinderen niet (meer) tegen komen? 

Ik zie twee mogelijkheden:

1. ZE hebben geleerd wat ze van ons wel en niet mogen, en verzwijgen en verbergen voor ons wat-volgens-ons-niet-mag stelselmatig, en kennelijk met succes? Deels kan het gaan om vitale kinderen, de natuurtalenten en degenen die (zal het om 5 of 10 procent gaan?) een vrijmoedig milieu getroffen hebben waar ze op een gelijkwaardige manier worden bejegend. Deels echter om kinderen die opnieuw als in de jaren 50 leren dat ze, beschaamd over zichzelf of ondanks prettige ervaring onzeker geworden, bepaalde dingen beter kunnen verzwijgen.

2. De deskundigen hebben inderdaad gelijk: ZE doen, hebben, kennen ZOIETS inderdaad niet; HET komt niet voor; HET is hun wezensvreemd? Als we niets zien gaat het goed!

Voor wie het zo zou willen zien, biedt Randall heel wat stof tot nadenken: 

ze groeien op zonder ontwikkeling en vormen wellicht mede dankzij de campagnes binnenkort weer een volwassen generatie die onthand maar hongerig en gevaarlijk in het leven staat. Het is de kloof tussen volwassenen en kinderen in een wel heel wrange gedaante: de intimidatie heeft iets gedood en de opvoeders weten het niet en de kinderen weten het na een tijdje ook niet meer. Het is een geheel verse categorie slachtoffers, een die op het punt van seks of intimiteit inderdaad geen kloof hoeft te overbruggen; ze hebben geen probleem; hen komen we later weer tegen als ze verdorde, eenzame volwassenen zijn of, als dader, problemen géven.  

Maar voor de echte slachtoffers van seksueel geweld, 

met hun benauwde geheim, is het er voor hen beter op geworden met deze campagnes voor wat betreft het een beroep kunnen doen op betrouwbare hulp, voor wat betreft het overbruggen van de kloof? 

Het komt me voor dat de deskundigen die hier de weg naar preventie zouden moeten wijzen zo onzorgvuldig omgaan met begripsomschrijvingen, dat ze definities van ‘fout’ zo oprekken dat de situatie voor de al gevallen slachtoffers er alleen maar slechter op wordt. [*18] 

Als alles ‘incest’ is, als alles wat met seks of zelfs maar met billen te associëren is, al seksueel misbruik is, wat valt daar dan nog mee te beginnen? 

Als er weer iets in die trant wordt gemeld, dan zal het nog slechts onverschilligheid kunnen oproepen of wie weet leedvermaak om die kouwe drukte. Of in het post-Dutroux-tijdperk met z’n wereldwijde kinderporno-netwerken vooral ontreddering, chaos, paniek? Op het Europese continent, in ons land zouden toestanden als in Amerika en Engeland, waar mensen die veroordeeld zijn wegens seksueel misbruik van kinderen en hun straf hebben uitgezeten, met naam en toenaam bekend worden gemaakt in hun nieuwe woonomgeving (naming and shaming), niet voorkomen. Minister Korthals van Justitie pleitte (september 1998) voor een verbod voor veroordeelde pedofielen om een beroep uit te oefenen waar zij met kinderen in contact komen, zoals in het onderwijs, jeugdwerk etc. - een databank, een zwarte lijst, voorbeelden van de Nederlandse variant op naming and shaming?  

En wat dachten we van het plan van de Engelse regering electronische metalen plaatjes aan te brengen bij veroordeelde pedofielen? "De regering zou pedofielen per satelliet kunnen volgen, met een systeem verwant aan dat waarmee men gestolen auto's localiseert." 

(The Observer van 17-11-2002  Surgical tags plan for sex offenders, door Martin Bright)

Twee punten vallen me op: 

1.Mogelijke vertrouwenspersonen in de eigen omgeving worden met klem verdacht gemaakt: aardige volwassenen zijn juist het gevaarlijkste slag; ofwel: hier wordt een kloof aangebracht waar hij nauwelijks was. 

2. De beroeps waar vervolgens naar verwezen wordt blijken niet alleen mee te leven met je ellendige ervaring, maar ook door hun wereldvreemd beeld van wat onder kinderen verder normaal is, je aardige ervaringen met een afgrijzen van ‘ziekelijk en ’misbruik’ te benaderen. De slachtoffers komen van de koude kermis thuis en ontdekken eens te meer dat het beter is over bepaalde dingen toch maar weer te zwijgen.

Vorige Omhoog Volgende