Vorige Omhoog Volgende

2. MET VERONTREINIGDE TAAL KUN JE NIET PROPER DENKEN 

Hoofdstuk 1 in het boek, From Bad Language to Crooked Thinking, is m.i. meteen in de roos. Zowel Randall’s diagnose van de patiënt als de door hem aanbevolen therapie naar een gezonder en realistischer perspectief vat ik hier in kort bestek graag samen. 

Randall’s diagnose over ons taalgebruik waarin we mensen classificeren in termen van hun seksuele responsen en ze zien als typen of vertegenwoordigers van geaardheden, is:  

“I believe that this situation is a very onhealthy one, (...) that the introduction of so much scientific jargon to describe various types of people has had a pernicious effect upon twentieth-century attitudes towards sex” (p. 5).  

Hier legt hij de vinger op verwaarloosde plekken en wijst hij op slordig denkwerk: de taal verraadt niet alleen ons denken en voelen, maar vormt bij overname ook ons denken en voelen, voedt de denkbeelden over hoe ‘het’ zit en hoe we zijn. Randall geeft hier en elders in het boek trouwens nog ettelijke bruikbare vragen voor wie een vertoog over menselijke intimiteit, erotiek en seksualiteit wil toetsen op het realiteitsgehalte ervan. [*7]

      Zijn aanbeveling is mensen te behandelen als individuele personen en vooral open te staan voor hun feitelijke en mogelijke ervaringen [*8], in plaats van met de aartsburgerlijke psychologie te blijven veronderstellen dat ze een specialisme, een apart talent of een aparte beheptheid vertegenwoordigen. Vandaar dat hij komt tot een perspectief dat als motto van het boek zou kunnen worden gezien:  

“Every human being is capable of love, and every human being is capable of responding erotically to a loving approach, wether it comes from someone of their own or the opposite sex. The idea of homosexuality as an ingrained, permanent characteristic of one’s personality is a myth created entirely by twentieth-century psychology” (p. 6).  

En zie ook pag. 205 waar hij, zich aansluitend bij Freud, noteert: 

“The tenderness felt by a paedophile towards his young eromenos may be nothing more than a normal biological impulse which our society has forced underground.” 

Gerard Roelofs, psychiater-seksuoloog bij de RIAGG Maastricht, zou zeggen: ”Ja, ’a normal biological impulse’, maar bij pedofielen uitvergroot.”

      Van Naerssen ontwikkelt in zijn proefschrift LABYRINT ZONDER MUREN (1989) over en naar aanleiding van de homoseksuele geaardheid een dergelijk perspectief. En zou dat mutatis mutandis ook niet opgaan voor bijvoorbeeld de zogenaamde pedofiele geaardheid? 

  “De homoseksuele geaardheid," aldus Van Naerssen, "opgevat als een exclusieve, duurzame, motiverende factor die tot contact met seksegenoten drijft, bestaat niet. Al uit de onderzoeken van Kinsey c.s. (1948; 1953) bleek dat vele mensen hetero- én homoseksuele contacten aangaan in hun leven. Masters en Johnson (1979) vonden dat mensen die zich homoseksueel noemen, vaak heteroseksuele fantasieën hebben en omgekeerd. Noch in gedrag, noch in fantasie, is de mens hetero- of homoseksueel. Het gaat om persoonlijke constructies van de erotische fascinatie. Dit is geen voorkeur, maar een geschiedenis van betekenisgeving aan het zelf en de ander. De gesloten procedure, zowel gehanteerd door de persoon zelf als in de maatschappij waarin homoseksualiteit een onontkoombaar gegeven is - een duidelijk omschreven verlangen - reguleert dit verlangen tot verstarring” (p. 128).  

Ik vrees dat juist in kringen van mensen die zich groeperen rond een noemer en een idee van seksuele minderheid dit bepaald geestverruimende perspectief dun gezaaid is. 

De ervaringen met het werken met de video-film DE JONGEN EN DE MAN, ”een film over beginnende vriendschap en intimiteit tussen een jongen en een man”, gemaakt door de RIAGG Maastricht en de Werkgroep S.i.R., zijn veelzeggend. 

De film is bedoeld als aangever en opstap bij het bespreekbaar maken van de voor velen moeilijke thematiek van intimiteit, erotiek en seksualiteit van en met kinderen, ongeacht of dit positief  dan wel negatief ligt. Bij alle ‘pedogroepen’ wordt door vrijwel alle aanwezigen de man in de film als pedo geduid en, wat hij doet en hoe hij reageert, als beginnend, sluimerend of voorzichtig pedogedrag. Bij alle andere groepen reageren de kijkers gemengd; het is ofwel: dat kan niet waar zijn; wat deze jongen doet, dat doet een kind niet, het kan niet en het mag niet; of het is: ja, het zijn toch eigenlijk heel gewone, herkenbare gedragingen, reacties en gevoelens van mensen, klein en groot, als ze in een vrijmoedige omgeving verkeren waar ze zichzelf kunnen en durven zijn.

En in XL van oktober 1994 las ik in een artikel over homo’s in de kinderliteratuur de volgende passage: 

“Sommige boeken zoals bijvoorbeeld Jan mijn vriend kun je homoseksueel lezen maar even zo goed komt het er niet in voor. Dan gaat het over een diepe, warme vriendschap. Beide gevoelsingangen van lezen zijn prachtig. Toch denk ik dat als het boek niet impliciet over seks gaat, het maar is hoe je er zelf tegenaan kijkt. Je interpreteert het boek op je eigen gevoel.”      

Maar met dat eigen gevoel en die gevoelsingangen is toch wat aan de hand; en wat je in je hoofd hebt speelt daar toch een grote, beslissende rol in! Je kunt JAN MIJN VRIEND (van Peter Pohl), dat ook ik een geweldig boek vind, een aanrader voor groot en klein, natuurlijk op verschillende manieren lezen en waarderen. Maar waar het hier nu om gaat is, dat het boek als je niet homoseksueel leest, gaat over een diepe, warme vriendschap, nogal herkenbaar en nogal menselijk, meen ik - van welke kunne je ook bent. Maar lees het eens homoseksueel, dat wil zeggen noem Jan of zijn vriendje in het boek eens homoseksueel, dat wil zeggen noem deze warme, diepe vriendschap eens homoseksueel, dan worden die gevoelens terstond als bijzonder begrepen en bieden ze niemand herkenning! 

Als je het mij vraagt: wat een onzin wordt hier aangericht met zo’n typering, met zo’n verbijzondering; of het moest zijn dat ludiek bedoeld is dat iedereen homoseksueel is. Deze gevoelens zijn universeel menselijk en de bijzondere typering miskent dat domweg.

De bezigheid van het categoriseren en classificeren van verschijnselen en handelingen hebben met name de hulpverleners in de gezondheidszorg niet van vreemden. Zij worden er indringend en intensief mee opgeleid: hun noties omtrent psychisch ziek-zijn en afwijken staan, uniform verwoord en wereldwijd door de meeste psychiaters en psychotherapeuten aanvaard, in het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders - DSM. [*9[ 

Pedofilie is ook in de nieuwste versie gerangschikt onder “seksuele stoornissen", een rubriek van “De parafilieën”, een overzichtelijke ordening van gestoorde fantasieën en van gestoorde handelingen. 

Maar, zo zegt Van Naerssen in zijn eerder genoemd proefschrift: 

“Door het invoeren van termen als aantrekkingskracht en innerlijke dwang (urge), zin in seks, inhibitie, en dergelijke, ligt aan de classificatie ook een theorie over het normale seksuele functioneren ten grondslag. En het is juist deze theorie, die betwistbaar is” (p. 55). 

Moraal onder het mom van wetenschap dus.

         Kortom, het heeft er alle schijn van dat we noch van de officiële gezondheidszorg, noch van de zogeheten seksuele minderheden zelf op dit punt veel gezond verstand hoeven te verwachten.

From Bad Language to Crooked Thinking is een hoofdstuk om te lezen en bij de hand te houden.

Vorige Omhoog Volgende