Omhoog Volgende  

1. ALGEMEEN COMMENTAAR op Childhood and Sexualility

1.1 Een prettig leesbaar, polemisch en belangrijk boek  

Childhood and Sexuality van John Randall vind ik een goed en prettig lezend boek; geëngageerd en toch met distantie geschreven. Het is levendig vooral doordat het ook een polemisch boek wil zijn. Het is uiterst actueel in onze westerse wereld, door de niet aflatende aandacht voor seksueel misbruik van vrouwen en, met nog meer impact, van kinderen; en ik denk dat het wereldwijd blijvend relevant zal blijken te zijn door de  vrijwel alles doordringende thema’s van seks, sekse en opvoeden en door de onstuimige, conflictvolle houding van godsdiensten, kerken en staten versus die thema’s.  

1.2 Een realistisch uitgangspunt

Ik ben blij met Randall’s pleidooi in Hoofdstuk 14, pag. 239, voor “the strict and unprejudiced pursuit of factual knowledge”. Zijn opvatting dat zo opgevatte wetenschaps-beoefening een in wezen religieuze activiteit is, zal de één blasfemisch vinden, terwijl de ander met mij zal menen dat zoiets de religies alleen maar ten goede kan komen. Deze opstelling strookt in ieder geval met de grondhouding en benadering die ik naar Fokke Sierksma als nastrevenswaardig proper en illusieloos denken typeer.[*1] 

Hier komt naar mijn gevoel en inzicht een diep respect voor stad en wereld,  en al wat er verder bestaat in tot uitdrukking; daar is geen God of kerk voor nodig. Een God of kerk die deze grondhouding en -benadering niet serieus neemt, verdacht maakt zelfs, wat is dat voor een God, wat is dat voor een kerk, zou ik zo zeggen, is die nog serieus te nemen? Ik spreek hiermee dus geen algemene veroordeling uit over religiositeit of over mensen in kerken en religies; wel wil ik zeggen dat ik erg huiverig ben voor het aantonen, bewijzen en weerleggen van waarheden vanuit godsdienst, kerk of welke instantie dan ook, als het op gezag moet: wat zijn dat voor waarheden? 

Randall’s bezwaar tegen blind dogmatisme en zijn voorkeur voor een open oor en oog voor de feiten sporen prima met het Maastrichtse S.i.R.-paradigma [*2], dat een pleidooi inhoudt voor serieuze aandacht zowel voor de positieve als voor de negatieve (seks)ervaringen van mensen: het houdt beide benaderingen en de findings daarin realistisch. Ook Randall hecht veel waarde aan de ervaringen, de reële belevingswereld van mensen, jong en oud; en het is hier dat we elkaar als vanzelf ontmoeten. Hoe hij dan zo onrealistisch over paedophiles kan praten, kan ik niet goed plaatsen. Daar kom ik nog uitgebreid op terug.

1.3 De “onderwaardering, ontkenning en verdachtmaking van kinderseksualiteit” (Randall) 

zijn voor mij onlosmakelijk verbonden met de stelselmatige, structurele onderwaardering, onderschikking en onderdrukking van kinderen überhaupt.  

De getuigenissen van de diverse ernstige en minder ernstige vormen van kindermishandeling en -exploitatie van de afgelopen tien-twintig jaar bijvoorbeeld, onthullen een bijna cynische minachting voor kinderen. 

Ik doel hier niet op de literatuur rond specifiek ‘seksueel misbruik’, maar op die over een cultureel aanvaarde en institutioneel wijd verbreide bejegening van kinderen. 

Denk aan 

Guus Kuijer’s HET GEMINACHTE KIND van 1980, 

Steven de Batselier’s DE ZACHTE MOORDENAARS van 1980 en aan 

HET GROENESTEIN SYNDROOM OF: EEN LEGE PLEK IN DEN HAAG, van Hans Koekoek in 1982. 

 

Ik kan nog noemen 

van Manfred Bieler STILL WIE DIE NACHT: MEMOIRES EINES KINDES uit 1989 

(“Was wurde uns gestohlen, dir und mir? Wer nahm die Liebe aus deinem und meinem Herzen? Wer raubte dir und mir das Glück der kleinen Freuden, die Wohltat der unbefleckten Zärtlichkeit, das Geheimnis der Tränen, die Unschuld der Spiele, die Lust am Leben?”); 

van Alice Miller 

AM ANFANG WAR DIE ERZIEHUNG uit 1980 en 

DU SOLLST NICHT MERKEN uit 1981, 
om me maar tot deze twee boeken van haar [*3]  te beperken; 

en tenslotte 

van Ingmar Bergman de film (met een televisieversie van ruim vijf uur) FANNY EN ALEXANDER. 

De film is voor een belangrijk deel autobiografisch; Bergman: 

“De methode van opvoeden was afschuwelijk. Het enige doel was discipline te kweken, iedere neiging tot iets anders moest onderdrukt worden.” 

Het onderwerp is kortom opvoeden als onderwerpen, disciplineren en op het goede pad brengen, met als begeleidend adagium ‘Het is toch voor je eigen bestwil’, ‘Ich will doch nur dein Bestes’ of, zoals in Randall’s boek op pag. 45, “in the child’s best interests”; het is ‘zwarte pedagogiek’, naar een woord van Katharina Rutschky. [*4]

      Ik ben er allerminst zeker van dat deze kritiek in brede kring herkend is en steun geniet. Er wordt ook in onze jaren weer hartstochtelijk gepleit voor respect en eerbied voor het kind, voor zelfbepaling en eigen tempo van ontwikkeling. 

Het is niet duidelijk of die pleidooien voor meer rechten van kinderen ook bedoeld zijn voor het ‘terrein van seksualiteit’. Evenmin is duidelijk of de schrijvers en sprekers wel weet hebben van wat in jeugdland op het ‘terrein van seksualiteit’ regel was en is en of men die zelfbepaling en die ontwikkeling in eigen tempo vom Kinde aus wil invullen. 

Als het specifiek over seksualiteit gaat, zijn ‘zelfbepaling’ of ‘eigen tempo van ontwikkeling’ althans voornamelijk als beperkend, beschermend en negatief te verstaan. De adviezen worden getekend door iets heel traditioneels. 

Ik denk dat hier voor een belangrijk gedeelte opgaat wat Van Ussel in een essay van 1976 WIE HOUDT ER NIET VAN KINDEREN? [*5] zegt over het pleidooi voor eerbied voor kinderen: 

“Gaat men na wat die eerbied precies inhoudt, dan lijkt hij vooral op het vlak van de intieme aanrakingen te liggen. Hier betekent de ‘eerbied’ niet dat men in zijn benadering fijn moet optreden, maar dat er iets niet mag geschieden. De eerbied is dus vaak een negatief begrip.” 

Lea Dasberg, voormalig hoogleraar Historische Pedagogiek in Amsterdam heeft een boekje open gedaan over hoe we als samenleving generaties lang kinderen grootbrengen, namelijk door ze klein te houden; zo luidt ook de titel van haar boek van 1976, een bestseller: GROOTBRENGEN DOOR KLEINHOUDEN.  

Ook de infantilisering van kinderen in sexualibus, waar Randall over schrijft, lijkt me dus een niet toevallig product van de stelselmatige en structurele onderpositie van kinderen in onze samenleving ten opzichte van volwassenen, zowel mannen als vrouwen; en dat lijkt me in deze kwestie het hoofdprobleem. [*6] Deze ‘verbreding’ die ik nou juist onontbeerlijk vind voor een reële kijk en een reëler op waarde schatten van gedragingen en problemen die we hier of elders aantreffen, vind ik niet zo duidelijk terug in Childhood and Sexuality.

Randall houdt de focus eerder gefixeerd op kind en seks en reist daarmee door de tijd en door de wereld -- en dan komt hij nogal wat tegen! Maar de dwarsverbindingen, die hij overigens wel vaak probeert te maken (zoals met name in de hoofdstukken 3 en 4), komen mij weliswaar vaak voor als bevestigingen van waar hij naar op zoek is, maar hij verkent de wijdere omgeving vanuit de optiek van de seks van en met kinderen in diverse tijden en culturen en niet, zoals ik zou verkiezen, vanuit de positie en rol van kinderen in de desbetreffende samenleving - horizontaal -, waarbij de bepalende, doorslaggevende belangen en motieven van degenen die de opvoeding, de socialisatie en dus de leidende waarden en normen bepalen, worden benoemd en doorgelicht.

Vergelijkingen maken - verticaal - van toen en daar en hen met nu en hier en ons, is een hachelijke bezigheid, vakwerk voor antropologen en andere disciplines; en dan nog spreken de geleerden elkaar ook hier weer vaak tegen.

Met dezelfde scepsis bezie ik ook de vergelijkingen van de mensenwereld met de dierenwereld om iets aan te tonen resp. te weerleggen. De Natural Theology ofwel ‘bio-theologie’  pleegt dit te doen; Randall heeft daar enerzijds kritiek op (pag. 246),  maar anderzijds maakt hij er zelf veelvuldig gebruik van. 

Ik vind dit vooral interessant, soms verbazingwekkend, maar meestal suggestief door de context (of beter gezegd: het gebrek daaraan) waarin deze vergelijkingen worden gemaakt -- het is gauw glad ijs. 

Ben Füss, NVSH-publicist, in particuliere gedachtenwisseling: 

“Je weet wel: eekhoorntjes sparen in de zomer voor de winter, dus God heeft de Boerenleenbank gewild; zwanen blijven bij elkaar, dus het huwelijk was ook de bedoeling; tenslotte is bij wolven de sterkste de leider, dus God stemt ter wille van het recht van de sterkste al jaren VVD.”  

1.4. Een raadsel: waarom het nog hebben over "paedophiles"?

Waarom Randall in zijn vertoog de Paedophiles betrekt -- als was het tòch een aparte, met uitsterven bedreigde soort -- is mij niet erg duidelijk. Het spoort ook niet erg met wat hij in hoofdstuk 1 onder het motto from bad language to crooked thinking als essentie van zijn frisse en authentieke benadering van (kinder)seksualiteit als puur menselijk gegeven presenteert. 

Het lijkt me inderdaad radicaal christelijk om, zonodig tegen de verdrukking in, op te komen voor mensen en groepen die in de knel komen, de paria’s en de mensen die om welke reden dan ook als uitschot worden behandeld. Minder radicaal, eerder dualistisch, lijkt het mij om eerst duidelijk en doordacht te kiezen voor een mensbeeld dat niet gecategoriseerd wordt door scientific polysyllables or their everyday equivalents om vervolgens, en naar mijn idee dus ondoordacht, in hoofdstuk zoveel een apologie van een gecategoriseerd mensbeeld uitvoerig te bespreken en daarmee ipso facto die categorisering stevig te bevestigen, zoals nog eens uitdrukkelijk in conclusion 7 op pagina 215 waar hij zelfs genuine paedophiles weet te identificeren.

Omhoog Volgende