Noten    [Artikel]    [Literatuur]     [Bijlage]

1. Proper en illusieloos denken. Fokke Sierksma, godsdienst- en cultuurpsycholoog, bij mijn weten tevens overtuigd atheïst, schreef jaren geleden in een recensie van één van de boeken van Cornelis Verhoeven, classicus, filosoof en katholiek, de volgende zin, die me altijd bij is gebleven: “Ik ben het met het meeste van wat Verhoeven schrijft niet eens, maar hier wordt proper en illusieloos gedacht.” Ik weet helaas niet meer wanneer en waar die recensie werd gepubliceerd en ik ken ook niet meer het desbetreffende boek van Verhoeven.

Proper staat voor mij voor: logisch, controleerbaar, falsificeerbaar; geen moraal onder het mom van wetenschap; geen knollen voor citroenen. Illusieloos betekent in mijn ogen: met beide benen op de grond; geen wishfull thinking, de wens niet voor de vader van de gedachte houden; ideologie niet tot dogma maken. Proper en illusieloos denken is voor mij een criterium, maar ook een nastrevenswaardig ideaal geworden - want proper en illusieloos kunnen denken, dat is nogal een ambitie die een grote mate van bescheidenheid vergt.   

2. Het betreft de Werkgroep S.i.R. Maastricht/ZZL. De letters S.i.R. staan voor Seksualiteit, intimiteit, Relaties; het werkgebied is Maastricht en Zuidelijk Zuid-Limburg. De kleine letter i is bedoeld als blikvanger en als duidelijke onderscheiding van het Romeinse cijfer I. De Werkgroep S.i.R. is een samenwerkingsverband van COC, Stichting Infohuis voor Seksualiteit & Relaties, Reclassering en RIAGG Maastricht onder coördinatie van de RIAGG, voor diverse aandachts-gebieden van seksualiteit, intimiteit en relaties, positief en negatief (seksueel misbruik) - sinds 1976. De Werkgroep S.i.R. Maastricht/Zuidelijk Zuid-Limburg is zomer 1995 opgeheven. “De belangrijkste doelstellingen zijn bereikt”, aldus het Eindverslag dat bij de 19e verjaardag werd uitgebracht.  

3. Freda Dröes in de Volkskrant, 6-1-1979.

In een latere publicatie van Deschner, OPUS DIABOLI, FÜNFZEHN UNVERSÖHNLICHE ESSAYS ÜBER DIE ARBEIT IM WEINBERG DES HERRN (oorspronkelijk jaar van verschijnen: 1987; ik citeer uit een herdruk uit 1994) benoemt hij  ‘Motieven en drijfveren’ maar al te duidelijk. Bij de argumentatie bijvoorbeeld die volgens hem de Catolica er op na houdt om het celibaat “af te dwingen” is met name het derde argument veelzeggend: “Drittens erstrebte man allzeit disponibele, weder an Familie noch Gesellschaft oder Staat gebundene willenlose Werkzeuge, mittels derer man herrschen konnte - das einzige, worum’s da geht.”(p. 92)  

4. SCHWARZE PDAGOGIK, 1977, van Katharina Rutschky, veelvuldig geciteerd door Alice Miller in IN DEN BEGINNE WAS ER OPVOEDING, 1983; ‘zwarte pedagogiek’ noemt Rutschky alle technieken die in de ’opvoeding’ worden gebruikt om kinderen vroegtijdig te conditioneren, waardoor zij al gauw niet meer merken wat er met hen gebeurt. “De sporen, aldus Miller, die deze pedagogie heeft nagelaten in de psychoanalytische theorieën, in de politiek en in de ontelbare dwangmiddelen in ons dagelijks leven, zijn mij daardoor (bij het lezen van Schwarze Pädagogik) plotseling duidelijker geworden.” (p. 23).   

5. In de Gids, jrg. 1976, p. 449.  

6.  Voor degene die de wereld waarin we leven au fond een prettige vindt, is deze voorstelling van zaken, deze typering van de situatie mogelijk, ondanks de genoemde getuigenissen, een grove generalisatie - maar dan toch vrees ik precies zo een als de sommigen nog altijd buitenissig in de oren klinkende vaststelling dat vrouwen stelselmatig en structureel worden achtergesteld en ondergewaardeerd ten opzichte van mannen.  

7. Op de eerste plaats: welke attitude ten opzichte van seks en ten opzichte van onze socialisatie drukken we uit in ons spreken? Waar met name bevinden we ons op het continuüm waarop aan de ene kant staat ‘seks- en lustvijandig opgevoed zijn en anderen opvoeden’, via ‘behoedzaam ontmoedigend opgevoed zijn en anderen behoedzaam ontmoedigend opvoeden’, tot aan het andere uiterste van het continuüm ‘op een vrij ontspannen, geëmancipeerde en vrij van schulden en angst ervaren manier omgaan met seks, lustbeleving en lijfelijkheid’? Uiteraard wel erg ideaal, dit laatste; maar waar bevinden we ons ergens op die glijdende schaal, daar haal ik dus zijn vraag uit.

Een andere vraag is, als juist in de tekst genoemd, die naar taal en woordgebruik, dat zegt wie en wat we ons voorstellen te zijn. 

Nog een andere haal ik uit hoe we seksueel misbruik van kinderen formuleren; zien we dat als apart, geïsoleerd, om niet te zeggen als uitzonderlijk probleem of als onderdeel van de onderpositie en mishandeling van kinderen überhaupt? 

Weer een andere vraag is te destilleren uit of we (feitelijk) morele oordelen en veroordelingen van seks, kinderseks en seks met kinderen niet presenteren onder het mom van wetenschap. 

Verder: of we uitgaan van de authentieke ervaringen van mensen, dan wel van een ideologie of bepaalde leer. 

En tenslotte is een vraag te destilleren uit de manier waarop we ertoe overgaan gedrag als seksueel misbruik te definiëren en of er dus ook ruimte overblijft om ervaringen als positief te omschrijven - zie ook pag. 33 van Randall’s boek.    

8. Vgl. Katrien Grootaers, HEEFT DE HERMENEUTISCHE BENADERING EEN BETEKENIS VOOR DE SEKSUOLOGIE? Leuven 1994. Ik meen dat het pleidooi van Grootaers voor de hermeneutische benadering in de seksuologie resp. in de seksuologische hulpverlening prima spoort met Randall’s aanbeveling. De hermeneutische benadering heeft als voornaamste elementen: 

“Subjectivering, individualisering, empatisch en introspectief verstaan, oog voor de context en voor de complexiteit van de werkelijkheid, betekenis-  en zinsverbanden.” (p. 52) 
En:
 “De werkelijkheid is altijd een vertelde werkelijkheid. Een klacht heeft een betekenis in een verhaal, een klacht is een verhaal. Er is geen objectief punt van waaruit de werkelijkheid kan worden beoordeeld. Een model uitgaande van het narratieve weten, theoretisch en therapeutisch, plaatst een persoon met een klacht maximaal in diens context, individualiseert maximaal. Mensen worden aangezet eigen taal en woorden te vinden. Ook en met name dat wat verzwegen wordt en afwezig is, krijgt een ruimte.”(p. 54).  

9. Het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, kortweg DSM. In 1995 zijn we aan versie DSM IV toe (DSM III, 1980; DSM III Revised, 1987).   

10. Zie daarvoor Martien Carton’s MIJN MOEDER MAG HET NIET WETEN. Een dossier met reacties op Het groene boekje voor meisjes (1975). 
De dochters: 

“Mijn moeder mag het niet weten”, 

“mijn vader dreigt mijn benen te breken”, 

“met mijn ouders kan ik niet praten”,

 “als ze het wist kom ik de deur niet uit.” 

De moeders: 

"Mijn dochter zou zoiets niet doen”, 

“die viezigheid van u heeft mijn kind niet nodig”, 

“gelukkig is mijn dochter niet zo.”  

 

11. De campagnes hebben deze blinde vlek in hoge mate.
 Terwijl des Pudels Kern van de benauwende pijn bij de kinderen is dat ze niet kunnen tonen wat hen beweegt en bezighoudt, komen de autoriteiten met de indringende boodschap: kind, je moet hierover praten, net zoals je dat over andere dingen doet. 
Impliciet maar hoorbaar wordt verondersteld dat er te praten valt, maar dat wellicht dat onderwerp seksualiteit daarbij wat moeilijk ligt. 
Een ontzettend verwarrende boodschap moet het zijn voor jongeren met een geheim. Heb je je maar verbeeld dat het onveilig is om te spreken? De situaties waar de jongeren in verwikkeld zitten zijn, als ze verkiezen erover te zwijgen, ongetwijfeld ambivalent, hebben meerdere kanten; en bij spreken is er alleen ruimte om te zeggen hoe verschrikkelijk het allemaal was. 
Bijwerking van de campagnes met zoveel nadruk op het erge van zwijgen, kan hooguit zijn dat zwijgende kinderen zichzelf ook nog schuldig gaan weten aan hun benauwdheid.  

12. Wij hebben ervaren en we zien het trouwens nog steeds, dat de eigen keuze-mogelijkheden van jongeren niet erkend worden: je mag kiezen, maar dan wel voor wat zíj willen: braaf, seksloos; voor positieve ervaringen mag je niet kiezen; die keuze wordt bij ‘feeling yes, feeling no’ (het kinderen leren ‘ja’ en ‘nee’ te zeggen) zonder blikken of blozen weg georganiseerd. 
De eigen keuzemogelijkheid yes wordt categorisch niet erkend, was onze eerste ervaring. 
De onderwerpen van onderzoekers als Van Ussel en Theweleit bleken daaraan te koppelen: in wiens belang is dat, wiens bedoeling is dit, dat je op die manier keuzeloos zou leven en dat elk aanreiken van mogelijkheden, hoewel met de mond beleden, wordt afgesneden? Nou, de machthebbers! Maar het woord machthebbers, dat mag je dan lezen als ‘de bange volwassenen’, zeg de opvoeders, zeg ‘die bange volwassenen die willen dat de kinderen afhankelijk van hen blijven’. 
Wij ervoeren op privé-schaal, maar ondertussen wel massaal, een mechanisme dat ooit bekend werd van de maatschappij-analyse, het mechanisme van de grote belangengroepen: hou jij ze arm, dan hou ik ze dom. De parallel was hier natuurlijk: houd ze arm aan ervaring, dom aan inzicht; dan blijven de kinderen van ons en blijven ze ons volgen. 
Als het zo in mekaar kan zitten, dan zit er een zekere logica in dat kinderen hun keuzemogelijkheid niet mogen hebben en hun keuze niet mogen doen; deze traditie heeft een functie.

Alice Miller heeft een uitwerking gemaakt van de noodzakelijke herhaling van dit spel: ouders zijn zelf armetierig en bang opgevoed; later hebben ze kinderen en ze verlangen naar hun liefde en aanhankelijkheid. Die willen ze niet kwijt raken en ze weten niet anders dan dat eigen keuze en vitaliteit van kinderen de dood is voor de afhankelijkheid van die kinderen; die zijn dan zo weg. En dit herhaalt zich; er zit binnen dit patroon een zekere noodzaak in het grootbrengen door kleinhouden.   

13. De campagne liep van 9 september 1991 tot september 1992.   

14. In 1988 verscheen het rapport HANDLEIDING VERTROUWENSGROEP KINDERMISHANDELING EN SEKSUEEL MISBRUIK, onder redactie van Bob van der Meer; eindproduct van een werkgroep van VO-docenten/leerling-begeleid(st)ers uit het hele land, in opdracht van het ministerie van OW.  

15. Het video-voorlichtingsprogramma FEELING YES, FEELING NO (Canada 1985) werd in de Nederlandse versie uitgebracht door Cinemien onder de titel MIJN LIJF IS VAN MIJ.   

16. Deze kritiek verwoordde ik in RAPPORT S.i.R. 88-1, 1988; Vgl. ook Grotenhuis, 1989 en Klisser, 1990.    

17. Niets is hier te dol. Van het voorlichtings-programma PRATEN KAN JE HELPEN, dat speciaal voor het onderwijs is, werd als eerste deel per 31-10-1990  DE BAAS OVER JE BILLEN uitgezonden. Dit was voor de allerkleinsten, met Edwin Rutten, de Teddybeer, de Aap, de Krokodil en met het Grote Boek: "Hier staat het in: zo is het en niet anders!”  - en dat over een onderwerp als lustbeleving, intimiteit en seksualiteit waar nou juist zoveel verschillen van mening, waardering en beleving over bestaan! De allerkleinsten werd onontkoombaar geleerd, dat alles wat met billen te associëren is al bedenkelijk is, niet in de haak is en gegrom verdient.   

18. Het gebrek aan onderscheidingsvermogen, het zo oprekken van definities dat ze eigenlijk onbruikbaar worden, dat is in onze dagen typerend voor de meeste bestrijders van seksueel misbruik. 
Het kan niet anders dan ten koste gaan van de echte slachtoffers (kinderen zowel als volwassenen - M/V) van de ernstige vormen van seksueel misbruik en -geweld. 
Ik heb er eerder over geschreven - zie het eerder genoemde S.i.R.-RAPPORT 88-1; ik kon toen ook verwijzen naar onverdachte auteurs zoals dr. N. Draijer in de Volkskrant van 23-1-1988 n.a.v. publikaties over de studiedag waar David Finkelhor, gezaghebbend Amerikaans onderzoeker op het gebied van geweld in het gezin, nieuw alarmerend onderzoeksmateriaal presenteerde, en prof. dr. W. Wolters in Elsevier van 26-3-1988 en in HP nr. 12, 1988. Zie ook het artikel van R.I. Klisser, SEKSUEEL MISBRUIK VAN KINDEREN - EEN ANDERE ANALYSE EN AANPAK GEWENST? 1990.  
 

19. In: Child Abuse  Neglect, 1988, 12, pp 293-4. De titel slaat op een vlagsignaal in de racerij, dat staat voor ‘afremmen, gevaar, even heel voorzichtig rijden’.   

20. De naam van het meetinstrument is eenvoudig Toetsingsmodel. De criteria die in het model gehanteerd worden, tekenen zich wellicht het duidelijkst af in een korte samenvatting van de punten van kritiek op de preventieprogramma’s in het interne verslag van het onderzoek aan de hand van dit instrument:

De programma’s zijn niet ingekaderd in een school-werkplan of het schoolbeleid, resp. geven daartoe geen voorstellen of zelfs maar adviezen. Ze gaan niet uit van bepaalde basisvoorwaarden voor een school om überhaupt iets met problemen van kinderen te doen, zoals een duidelijk beleid met betrekking tot de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen en goed contact met de ouders. Mede hierdoor ontbreekt integratie met andere leerstof.  
.

De thema’s in de programma’s zijn te eng, te eenzijdig. Er wordt weinig rekening gehouden met de verschillen tussen jongens en meisjes, verschillen in cultuur en verschillen in samenlevings-vormen. Het onderwerp kindermishandeling wordt gebracht als een heel speciaal iets, zonder onderwerpen te bespreken als assertiviteit, iemand in vertrouwen nemen, het uiten van gevoelens, een geheim bewaren. Vaak wordt het onderwerp kindermishandeling beperkt tot seksueel misbruik. En daarbij verzuimt men de prettige kanten van seksualiteit en lichamelijk lustvol contact te belichten; soms worden die en passant (en naar we toch mogen aannemen onbedoeld) verdacht gemaakt.  
.

De programma’s gaan veelal voorbij aan het feit dat kindermishandeling zijn wortels vindt in de verhoudingen tussen kinderen en volwassenen, meestal binnen het gezin. De mythe van de grote, gemene, vreemde man wordt bijna nergens ontkracht.  
.

Er worden nauwelijks onderscheidingen gemaakt: in duidelijke, genuanceerde omschrijvingen van waar het over gaat bij de diverse vormen en gradaties van kindermishandeling; in leeftijden en ontwikkelingsniveau’s (maakt het echt geen verschil of we het hebben over een vijfjarige of een vijftienjarige?!).  
.

De preventieprogramma’s richten zich op het onderwijs, maar bijna alle vertonen hiaten en gebreken op het onderwijskundige en didactische vlak. 

 

21. Powell en Chakley van het Institute of Psychiatry of the University of London concluderen (aldus vermeld op p. 190) na zorgvuldige analyse van de overvloedig gepubliceerde casuïstiek betreffende de psychologische effecten van seksueel misbruik van kinderen: 

er zijn geen blijvende negatieve effecten gevonden. 

Kinderen die in de war waren, waren dit al van te voren. 

Jongens werden door een pedofiel contact met een man niet homoseksueel. 

De slachtoffers waren niet altijd passief; ongeveer de helft van de kinderen verzette zich niet of had juist een actief aandeel in het contact. 

Kortom, zo stellen zij volgens Randall (pag. 191), de feiten laten zien, dat er weinig reden is te zeggen dat a paedophile assault een kind zal beschadigen. 

Maar zij voegen daar aan toe: “But catastrophic reactions may be shown in particular children under particular circumstances” (cursivering door de auteurs). Verder onderzoek zou zich moeten concentreren op deze kinderen en omstandigheden, aldus de auteurs.   

22. Ik volg hier goeddeels het commentaar dat ik op het verschijnen van het rapport formuleerde aan het adres van  dezelfde Commissie.  

23. Of er alternatieven zijn? In de volgende alinea beschrijf ik onze formulering van wat in beginsel een richting zou kunnen zijn. Maar aan dit specifieke knelpunt voor leerkrachten hebben we zeker aandacht gegeven in het STAPPENPLAN hulpverlening  KINDERMISHANDELING - Kinderen hangen hun problemen niet aan de kapstok in de gang, van 1990. Zie ook ‘IS ‘T NOU GENOEG?!...’ - Eindverslag van het project Preventie Kindermishandeling in Zuid-Limburg, Maastricht, (1996).   

24. Men leze in deze en andere passages voor hij (en taalkundig vergelijkbaar eenzijdige typeringen) bepaald hij of zij.  

25. Een aantal ‘signalen’ is ongetwijfeld uiting van het ondergaan hebben van gewelddadige benadering, seksueel of niet-seksueel; een ander aantal is even ongetwijfeld uiting van niets anders dan een ongegeneerde interesse in nabijheid, intimiteit en genieten, ook seksueel. 
Duidelijk is dat een aantal deskundigen bereid is de omstandigheden die aanleiding geven tot deze laatste vorm van gedrag, die in feite neerkomt op een zich ontwikkelen, maar die door deze deskundigen onder de noemer niet-leeftijdsadequaat betreurd wordt, ook misbruik te noemen.   

26. Of vrij naar Ischa Meijer in de NRC van 16-4-1977: je hoeft toch niet ‘pedofiel’ te zijn om je aan kinderen te vergalopperen.   

27. Het is de harde kritiek van Kinsey in 1948, ook aangehaald door Randall, geweest dat deskundigen aan de hand van patiënten in hun inrichtingen of op hun spreekuur, met inderdaad seksuele ervaringen bijvoorbeeld in de jeugd, die jeugd niet aarzelden abnormaal te noemen. Ze deden daarvoor geen onderzoek, ze veronderstelden doodleuk dat gezonde en evenwichtige mensen geen seksuele ervaringen in de jeugd hadden gehad. 

Het onderzoek van Kinsey c.s. richtte zich niet op slachtoffers of patiënten, maar inderdaad op ‘de bevolking’: hij deed waarnemingen, hij ging ‘meten’ en het werd hem niet in dank afgenomen. De studie zou voor wie vandaag uit ellendige gevallen komt tot het idee dat seksuele ervaring als zodanig in de jeugd een ontsporing is waar preventief tegen moet wordt opgetreden, verplichte kost moeten zijn. 

Deze opmerking is aan de orde doordat de preventiecampagnes zich niet specifiek richten op kinderen die inderdaad in de problemen zijn, maar op het kind. De campagnes hebben het in zich druk uit te oefenen op jeugdige ervaringen die de gezonde volwassenen van nu destijds in ruime mate hebben opgedaan.

In onze Limburgse werkgroep S.i.R. hadden we een speciale band met ‘meten’. Meerzijdig meten, zouden we kunnen zeggen: aandacht voor zowel positieve als negatieve ervaringen of uitingen van mensen; dat houdt het begrip van beide realistisch. Maar toegegeven moet worden: het dan spreken over wat je ondervindingen zijn, is in een anders ingestelde omgeving een bron van spraakverwarring.   

28. Robert Bauserman en Bruce Rind, Psychological Correlates of Male Child and Adolescent Sexual Experiences with Adults: A Review of the Nonclinical Literature. In: Archives of Sexual Behavior, Vol. 26, No. 2, 1997.

Bruce Rind en Philip Tromovitch, A Meta-Analytic Review of Findings from National Samples on Psychological Correlates of Child Sexual Abuse. In: The Journal of Sex Research, Vol. 34, No. 3, 1997, pp. 237-255.

Robert Bauserman, Bruce Rind en Philip Tromovitch, A Meta-Analytic Examination of Assumed Properties of Child Sexual Abuse Using College Samples.In: Psychological Bulletin, 1998, Vol. 124, No. 1, 22-53.    

Rind, Bruce, De seksuele ervaringen van homo- en biseksuele tienerjongens met mannen
Een empirisch onderzoek naar psychologische samenhang in een niet-klinische steekproef, In: Archives of Sexual Behavior, jaargang 30, nummer 4, augustus 2001; 
Oorspronkelijke titel: 'Gay and Bisexual Adolescent Boys' Sexual Experiences With Men: An Empirical Examination of Psychological Correlates in a Nonclinical Sample'.

Judith Levine, Harmful to Minors, The Perils of Protecting Children from Sex, University of Minnesota Press, 2002.

29. Noorse psychologen, aldus Randall, meldden vanuit hun onderzoeken, dat ouders seksuele gevoelens hebben als ze hun kinderen knuffelen. (pag. 203).  

30. Met de aanduiding ‘discussie’ is het voortdurend en hetzerig jagen op pedofielen en hen als zondebokken gebruiken natuurlijk niet meer adequaat te typeren anno 1998.  

31. Is het zo zinnig denkbeelden, concepten een centraal probleem te noemen? Zeker, levensproblemen zoals de kunst om echt contact te maken of mensen gerust te stellen, zijn ook belangrijk. Maar het zijn de al dan niet zuivere denkbeelden die de voeding uitmaken voor al dat gedrag. Het ligt dicht bij Randall’s hoofdstuk 1 over onproper denken als basis voor een heleboel. Kleine levensproblemen worden ellendige lonten in kruitvaten als er met bepaalde concepten wordt gewerkt. Ik denk aan iets eenvoudigs als: een kind is bevriend geraakt met een buurvrouw; ma ervaart een jaloerse impuls; wordt nu aan dat aanslagje op het gemoed het vrijwel racistische denkbeeld gekoppeld dat de buurvrouw niet een mens is als jij of ik, maar anders-geaard, dan wordt het een duivel, een uiting van een drift, iets om uit te drijven als kwaad, het wordt een ziekte; en alle aardige menselijke trekjes als attentheid naar kinderen worden toonbeeld van de listige, sluwe toeleg van die soort. Mensen verdelende concepten leveren hier voedsel aan doodsangst i.p.v. dat mensen die geconfronteerd worden met voor hen onbekende situaties leren met de nieuwe dingen om te gaan.

32. Vgl. Arie Jan Toet, KETTERS VAN HET GEZINSGELOOF. In: VOOR ALLES PASTOR, de zorg van Joseph Doucé voor sexuele minderheden, uit 1993, een boek door meerdere auteurs geschreven ter nagedachtenis van de vermoorde pastor Joseph Doucé, van het ‘Centre du Christ Libératuer’ CCL te Parijs.  

Arie Jan Toet  betoogt in zijn bijdrage aan de bundel dat er naast de intolerantie van de bezoekers van CCL nog een andere factor aan te wijzen is voor de problemen waar het centrum mee te kampen had. Die lag volgens hem in de grondslag van het CCL zelf: “Ze ligt met name in het idee dat er sexuele minderheden zijn, de vlag waaronder het centrum voer.” 

Er ligt een tegenstrijdigheid tussen de opvatting van Doucé dat de ene vorm van seksualiteit niet beter of slechter is dan een andere en zijn onderscheiding van verschillende sexuele minderheidsgroepen, waar hij dan ook mensen bij indeelde. 

“Maar hierin ligt een tegenstrijdigheid, aldus Toet, want zo’n indeling heeft alleen zin als die verschillen er wel degelijk toe doen. Die indeling, die etikettering, vormt voor discriminatie de voedingsbodem bij uitstek. (...) Indien verschillen in sexualiteit niet relevant zijn, dan moet een indeling die op die verschillen is gebaseerd worden losgelaten. Want verschillen die er niet toe doen, doen er niet toe. Punt, uit!” 

Concluderend: de gemeenschappelijke bron van discriminatie van de sexuele minderheden zijn de dwingende normen van gezin en huwelijk, die dienen onder kritiek te worden gesteld. Een andere strategie is dus nodig: Het streven van zogenaamde sexuele minderheidsgroepen is meestel gericht op emancipatie van deze groepen. 

“Mijns inziens leidt deze strategie op korte duur tot successen, maar levert ze uiteindelijk versplintering en schijnoplossingen op. Al geeft het velen opluchting, eindelijk erkenning, eindelijk herkenning - de oorzaak van de problemen wordt niet weggenomen, maar alleen versterkt. Voor de kerken lijken me daaruit praktische consequenties te trekken. Geen discussies meer over homosexualiteit, pedofilie en trans-sexualiteit.”

33. Vgl. R.H.J. ter Meulen, ZIEL EN ZALIGHEID, 1989 (?).  

34. Daarmee wordt bedoeld te zeggen: ze zien altijd gelegenheid tot seks met kinderen of belangstelling ervoor bij kinderen, in een mate die niet wederzijds is en eerder als een projectie van de drift van de volwassene is op te vatten, en bovendien in een vorm die niet toelaatbaar is.  

35. Bijvoorbeeld: ZEDEN EN STRAFFEN, Discussienota over de zedelijkheidswetgeving, uitgebracht door NVSH en COC gezamenlijk, Amsterdam, februari 1984. 
Verder vooral feministisch geïnspireerde publicaties op het terrein van ‘seksueel geweld’, waarin uitvoerig wordt uitgelegd dat seksueel geweld geen seks-probleem is, maar een gewelds- en machtsprobleem: vrouwen zijn slachtoffers, mannen zijn daders. 
Ik meen deze publicaties resp. deze analyse voldoende bekend te mogen veronderstellen. Hoe ontoereikend deze analyse is waar het seksueel misbruik van kinderen betreft - slachtoffers zijn immers meisjes èn jongens, daders zijn mannen èn vrouwen - is helder in kaart gebracht door R.I. Klisser in het al genoemde artikel SEKSUEEL MISBRUIK VAN KINDEREN - EEN ANDERE ANALYSE EN AANPAK GEWENST?  

36. Hij gaf daar de volgende uitleg bij: vanaf de zeventiende eeuw manifesteert de verburgerlijking van de maatschappij zich steeds duidelijker. Het burgerlijk mensmodel wordt opvoedingsdoel en -ideaal; daarin is geen plaats voor seksuele contacten tussen volwassenen en kinderen. 

Voor het betere begrip van deze afwijzende houding tegenover seksuele contacten tussen jong en oud, wijst Van Ussel op een aantal facetten: 

“De burger moet zijn tijd, zijn geld, zijn energie, zijn gevoelens, zijn liefde nuttig besteden. Hierdoor komen de genieting van de lust, het genot, de wellust, de zinnelijkheid, de lichamelijkheid, de romantische liefde et cetera in het gedrang. Want deze ‘brengen niets op’, zij zijn een niet renderende verspilling van tijd en energie, en gevaarlijk omdat men van de opvatting uitgaat dat de mens tot het kwade geneigd is: de gemakkelijke en verleidelijke weg der wellust. 
Van de ‘seksualiteit’ vallen dus alle aspecten weg die niet productief zijn. Alleen de reproductie of voortplantingsdaad blijft over. 
De beoordeling van ‘seksuele’ gedragingen  geschiedt volgens hetzelfde principe: masturbatie, homoseksualiteit, omgang na de bevruchting, omgang waarbij de bevruchting vermeden wordt, of na de menopauze of vóór de puberteit, pedofilie, sommige coïtushoudingen, et cetera  worden afgekeurd. 
Deze afwijzing van vele aspecten van de intieme omgang tussen mensen, heeft anderzijds tot niet beoogd gevolg dat de belangstelling ervoor groot wordt, vooral omdat de prikkels niet systematisch gecensureerd worden (prostitutie, pornografie, verleiding van de dienstmeiden, door de zonen der burgerij, gedrag in internaten, leger, et cetera.) Dat de belangstelling voor het ‘seksuele’ wellicht nog nooit zo groot was als toen men haar het felste wilde bestrijden, heeft volgens Van Ussel als belangrijk gevolg, “dat vele feiten en situaties die weinig geslachtelijke elementen  bevatten, toch als  ‘seksueel’ gezien worden. 
Zo komt het dat een gedrag omwille van een eventuele geslachtelijke component  of bestanddeel geheel als ‘seksueel’ aangezien wordt: de homoseksualiteit, de pedofilie, de buitenechtelijke omgang. Dit leidt tot een veroordeling van deze gedragingen wanneer, zoals in het westen vanaf de negentiende eeuw, de ‘seksualiteit’ zelf nauwelijks geduld werd, althans officieel en bij de burgerij en de verburgerlijkte christelijke kerken.” (p. 451 e.v.).

Uit het werk van Van Ussel kan men overigens ook opmaken dat de negatieve houding tegenover het hele seksuele niet slechts een historische opvatting is die als kijk doorgegeven wordt. Mensen die onder zulke negatieve en remmende omstandigheden opgroeien, doen, stoethaspels als ze zijn geworden, als volwassene niet zelden slechts ellendige ervaringen op seksueel gebied op. Steeds opnieuw ontstaat hier en nu een afkeer van seks. 
Met name vrouwen klagen vandaag evenzeer en om dezelfde reden als in het Rijke Roomse Leven over de seksgeobsedeerdheid van kerels. In die hoek zit wellicht de bijna fysieke voedingsbodem voor een zekere zorg om de kinderen. Dit voert als vanzelf tot opnieuw overbescherming en tot opnieuw stoethaspels. Zou het niet de eigen barre ervaring en actuele machteloosheid zijn, die de voedingsbodem vormt waarop de officiële anti-seksuele visie nog altijd zo virulent in brede kring kan aanslaan?   

37. De Mannenkrant van september (?) 1988. Van de studiereis is door de vier vrouwen een tweedelig verslag gemaakt: INSPIRATIE VER GEZOCHT. De aanpak van de incestproblematiek in Amerika. Deel 1 door Wilma Kloosterman en Carla van Lichtenburcht, Deel 2 door Els Nieskens en Marga Reniers, L.C.C.I., Utrecht, 1988.  

38. RAPPORT S.i.R. 88-1: “Uit de eigen RIAGG-casuïstiek alsook uit de ervaringen van de Werkgroep S.i.R. ken ik de vormen en gevolgen van seksueel misbruik van kinderen van dichtbij. Ik heb verder terdege kennis genomen van vele reportages van anderen o.m. (de keuze is niet willekeurig) het Labyrint-BRT programma ER SNIJDT IN MIJ EEN DIEPE, SCHERPE PIJN, door de IKON herhaald op 23-5-1986. (Vgl. ook het boek van de geinterviewde vrouw IK WAS EEN VROLIJK KIND uit 1992). Verder de interviews met de twee volwassen vrouwen uit de film GEZOCHT: LIEVE VADER EN MOEDER (voor de rest heb ik overigens niet zoveel waardering voor deze nogal melodramatische documentaire film).”  Sindsdien zijn nog heel wat programma’s en (onderzoeks)publicaties ook mijn revue gepasseerd.   

39. AVRO, 4-8-1988.   

40. Mensen zijn van jongs af aan dagelijks geschoold en ze worden dagelijks bijgeschoold. Omscholing van enkelingen in een massief traditionele omgeving, is werkelijk veel gevraagd. 

Een alledaags maar sprekend voorbeeld van hoe mensen geschoold zijn, is het misbaksel (met permissie) THE BLUE LAGOON, de ontroerende, romantische, sprankelende ‘natuur’-film. 
Ik vind het een onfrisse film, een voorbeeldig exemplaar van een dubieuze soort - die hiermee eigenlijk al te veel aandacht krijgt, maar het gaat mij nu om iets anders. 
De film laat zien dat mensen als je hen  vroeg, als kind al, los van de weinig goeds brengende invloed van de samenleving, op een onbewoond eiland, in een natuurlijke omgeving laat opgroeien, dat ze dan weer natuurmensen worden; dan reageren ze weer oer: we kunnen er veel van leren. 

En warempel, wat zien we: er ontwikkelt zich bij het meisje en de jongen (nicht en neef) een oergevoel en een oerbehoefte aan een taboe en een mystieke-God-grootheid (personifiëring en projectie van oer-angsten van totaal niets weten en zich uitgeleverd voelen?). Maar zie, ook preutsheid en schaamte voor bloot, erotiek en seks: die zijn dus óók natuurlijk. 

Dat deze film als mooi en documentair ervaren wordt in plaats van als speelfilm en als zo je wilt straal belachelijke ‘fictie’, laat zien hoe weinig distantie er is van gewoon de regelrechte EO-moraal. Men is gewend aan en gesocialiseerd tot een paar nogal malle gevoeligheden en obsessies van vooral pas deze eeuw. De film is m.i. niet zozeer een bedachte demonstratie van hoe oer-echt gevoelens als preutsheid en schaamte t.o.v. bloot en seks zijn, als wel een onbedoelde demonstratie van hoe oersterk de burgerlijke (Amerikaanse) socialisering is. 

De dagelijkse scholing gaat massaal door. 
Het succes van THE BLUE LAGOON nodigde tot een slap vervolg in DE TERUGKEER NAAR DE BLUE LAGOON. Met LION KING is echter een mijns inziens moeilijk meer te overtreffen topper op de media-markt verschenen die de burgerlijke Amerikaanse socialisering perfect uitbeeldt. De fraaie verpakking en de bedwelmende vormgeving overstralen wervend de inhoud en de eventuele reserves ertegen. Het lijdt geen twijfel dat die inhoud inspeelt op sentimenten, op de normen en waarden die bij de consument leven en die dezelfde consument verantwoord acht voor zijn en haar kinderen. De geschilderde situatie is volstrekt in harmonie met het wereldbeeld van de consument die meent dat zijn of haar kind ‘zoiets niet doet’. De film, pas uitgebracht en meteen al op video verkrijgbaar, was een alle records brekend kassucces.

Het werk van Van Ussel maakt duidelijk dat precies dit indringend en meeslepend kinderen voorschilderen hoe het geluk eruit ziet, terwijl het erotische alledaagse er op levensvreemde wijze uit verbannen is, ervoor zorgt dat ditzelfde bestanddeel van het leven tegelijk beangstigend en belangrijk wordt. 

De impliciete boodschap door afwezigheid, dat die gevoelens geen pas geven, doet jonge mensen onthand zijn als ze er spontaan toch mee geconfronteerd worden. De aldus consequent geschoolde volwassenen zijn er niet mee vertrouwd, gaan er stereotiep en niet evenwichtig mee om, maar zijn ondertussen hongerig in niets anders geïnteresseerd. 

Dit socialiseren is de bedding van het seksualiseren. Films als THE BLUE LAGOON en LION KING zijn actuele edities van het lesmateriaal. Maar evenzeer de bekroonde anti-oorlogsfilms als PLATOON en FULL METAL JACKET zijn dat: prototypes van fusie tussen destructie, agressie, verwildering en ... seks in woord en beeld; maar een blote piemel (een private part) is er niet te zien - dan zouden de films ook meteen zijn verboden, nu zijn het bestsellers. Het alles leidende en misleidende principe dat zich onmiskenbaar aan ons opdringt is (oh Karl Marx!): socialisering staat in functie van ... de centjes. Zie ook de noten 12 en 35.   

41. Vgl. Marjan Sax en Sjuul Deckwitz, red. OP EEN OUDE FIETS MOET JE HET LEREN, 1993.  

42. Met deze aanduiding, de heteronorm, zo vertrouwd in bijvoorbeeld de  feministische en de homoseksuele/lesbische literatuur, bedoel ik een heel complex van opvattingen omtrent hoe de dingen horen te zijn of hoe ze van nature zijn, maar vooral het aanzetten tot stereotiep en eenzijdig mannen- of vrouwengedrag, ook wel de complementaire man- en vrouwrollen genoemd. 

Er hoort ook uitdrukkelijk het bekende macho-kenmerk bij; dit vind ik zeer beeldend beschreven in het onderzoek van Paul Hoch naar de psychologische en maatschappelijke wortels van de huidige sekserollen: DE MYTHE VAN DE MANNELIJKHEID, Bussum 1983, bijvoorbeeld in deze passage (p. 94): 

“De meeste sportlieden, en dan vooral de keiharde, recht-toe-recht-aan rugbyspelers, zijn letterlijk bereid eerder door muren heen te rennen dan te moeten horen dat ‘ze wel wat verwijfd overkwamen’. (...) De mannelijke rol wordt vandaag de dag inderdaad niet zozeer gedefinieerd door positieve kenmerken, maar door de afwezigheid van zwakte: een ‘echte man’ is degene die het minst gauw beschuldigd kan worden van homoseksualiteit.” 

Ik kan er nog een persoonlijke observatie uit de VS aan toevoegen die pijnlijk precies demonstreert hoe kinderen er collectief worden gesocialiseerd en hoe ze dat kundig individueel toepassen. Ik heb het als ‘incident’ beschreven in RAPPORT S.i.R. 88-1: 

“Een jongen van 13 krijgt ruzie met een vriendje van 15. Deze is ongeveer even groot als hij, maar lichamelijk sterker en een betere vechter. Maar - ze kennen elkaar natuurlijk al langer - de 13-jarige gebruikt een even simpel als trefzeker wapen, één woord slechts... Een beetje naar z’n vriendje voorover buigend, de ogen wat dichtknijpend, wit van kwaadheid zegt hij bijna fluisterend: “Girl!...Giiirl!...” 
De 15-jarige is in zijn ziel getroffen en heeft geen verweer; hij druipt af.”

 De Nederlandse versie van het Amerikaanse “Girl! Girl!” is, hoewel echter doorgaans niet met zo’n extreme lading en uitwerking, het woord ‘flikker’ of ‘mietje’.  

43. In vrijwel alle culturen staat seks bovenaan het lijstje van humoristische onderwerpen, aldus Stan Termeer in ZEGT EEN ZOELOE TEGEN DE PYGMEE..., in: Onze Wereld, november 1995.  

44. Deze onderzoeken, hulpverleningsrapporten en requisitoiren bevatten steevast impliciet de boodschap die niet verder verantwoord of rond het desbetreffende geval vastgesteld hoeft te worden: jongeren mogen dit niet meemaken; maken ze het mee dan is het ze aangedaan en is er schade aangericht. 
Deze vaststelling per aanname die geenszins als generalisatie wordt ervaren, markeert ritueel de evidente juistheid van de norm en is telkens een schot voor de boeg van wie zoals Randall in erotisch opzicht ook iets van waarde tussen volwassenen en kinderen voor mogelijk houdt, een standpunt dat in de bedoelde rapporten en requisitoiren wel eens wordt begrepen als dat van een handjevol “pedofielen” en lieden die het voor hen opnemen.  

45. J.A.M. Wauben, Kinderen kunnen niet verder springen dan de polsstok (van de volwassenen) lang is, inleiding over Preventie, Seksueel Geweld en Incest, gehouden tijdens de Conferentie Preventie in-zicht, 14/15 mei 197 te Nijmegen (tekst is opgenomen in Rapport S.i.R. 88-1, Maastricht 1988).  

46.  Vgl. de Commissie Seksueel Misbruik van Jeugdigen, handelen bij vermoeden van seksueel misbruik van kinderen/jeugdigen. 1994: “Het onderzoek is gericht op hulpverlening; het trauma mag door het onderzoek niet versterkt worden” (p. 47).  

47. Randall besteedt m.i. zeer terecht aandacht aan de dubbele gevoelens van mishandelde, misbruikte kinderen ten opzichte van hun mishandelende ouder(s) of ander familielid met wie zij zich verbonden weten; zij hebben meestal naast de negatieve ook positieve ervaringen met hen. Als het niet om seks gaat, maar om andere vormen van mishandeling, is dit meestal wel bespreekbaar, lees en hoor ik regelmatig. Gaat het om seksueel misbruik, dan wordt aandacht hebben voor eventuele positieve ervaringen echter nogal problematisch. Ik ken nauwelijks onderzoeken en rapportages uit de praktijk waarin hiervoor ruimte blijkt; Draijer bijvoorbeeld pleit er wel voor. Zie verder noot 48.  

48. In het bijzonder wil ik nog wijzen op een complicatie waar Randall toch ook geen melding van maakt: de diepe loyaliteit die kinderen ten opzichte van hun ouders of familieleden kennen en die ook bij kinderen die mishandeld worden altijd een rol en vaak een sterke rol speelt. Het CLAS-project van Midden-Limburg, dat werkt naar inzichten en methodieken van Nagy en Giaretto, laat zien dat er een uitweg mogelijk is uit het door Randall geschilderde dilemma dat ook in de Nederlandse hulpverleningspraktijk maar al te bekend is.

In 1989 maakten Anneke Hopmans en Bob Entrop van SOL-film te Breda de film MIJN VADER IS TWEE MENSEN, een documentaire over de visie op en de praktijk van de hulpverlening in geval van seksueel misbruik binnen de familie, waarbij alle personen die deel uitmaken van de casus (de slachtoffers, de daders en de gezinnen) worden betrokken. De film doet verslag van het werk van ‘Clara Fey’, meisjesinternaat te Roermond (directrice en pionier: mevrouw Els Nieskens); visie en wijze van werken sluiten aan en worden verder geïnspireerd door het werk van Nagy en Giaretto. Het gedocumenteerde werk bleek de voorloper van het CLAS-project, dat na de fusie van ‘Clara Fey’ met Jeugddorp Bethanië  te Horn (bij Roermond), in uitvoering kon worden genomen, vergezeld door wetenschappelijk onderzoek. Het eerste onderzoeksrapport  over het CLAS-project verscheen in 1995 (Bakhuizen e.a.).

49. In haar inleiding tijdens onder meer de studiedag DE DADER GEHOLPEN, op 6 september 1994 in Ede en tijdens het internationaal congres Violence in the Family, op 13/15 oktober 1994, RAI Amsterdam.