Vorige Omhoog Volgende

6. IS ER MAATSCHAPPELIJK RUIMTE VOOR EMANCIPATIE?   

Maar zijn we er dan met een voldoen aan deze ‘eerste vereiste en belangrijke doelstelling’? 

Als we als Westerse volwassenen de wenk van Randall in dezelfde geest op pagina 202 e.v. ter harte nemen om positief lerend om te gaan met ons aller natural tendency to love children, ontwaar ik nog volstrekt geen onbezorgde vergezichten. Is er maatschappelijk dan ruimte voor zoiets gezonds, gesteld dat in kleinere kring de eerste spraakverwarringen overwonnen konden worden? Het zal niet meevallen; er zijn nogal wat complicaties en ik noem er drie in even zovele paragrafen.  

6.1 Een heftige complicatie: "Het gaat om volwassenen die kinderen seksualiseren"

Pedofielen wordt meestal en vooral verweten, dat ze kinderen seksualiseren, [*34] ze zijn zo op seks gericht! Deze vaststelling strekt zich niet alleen uit over àlle erotische beleving tussen oud en jong, ze verklaart alleen al het idee om over zo’n verwerpelijk waanidee een gesprek aan te gaan als was het een optie voor gezonde mensen, tot ongepast. 

Hiermee is een element in het leven van velen, wereldwijd maar ook in onze samenleving, gediskwalificeerd om niet te zeggen verpedofiliseerd of gemarginaliseerd, en in het maatschappelijk verkeer eenvoudig onbespreekbaar verklaard. De maatschappelijke ruimte voor de natural tendency is bovengronds nihil.

Toch is hier meer van te zeggen dan eenvoudig vaststellen dat de pleuris losbarst. 

Het stereotiepe beeld van de pedofiel, veelal ontleend aan de forensische situatie of die van de  categorale opvang, wil dus dat ze zo op seks gericht zijn. In veel gevallen is deze beeldvorming bepaald niet zonder relatie met de werkelijkheid. Maar laten we dan om te beginnen vaststellen dat voorzover die bedoelde pedofielen zo zijn, zij in die onwijsheid uitstekende specimina van de burgers van onze tijd en samenleving zijn. 

We zitten in een seksgeobsedeerde samenleving; het seksualiseren wordt welhaast eenieder met de pap­lepel ingegoten. Seks staat centraal. Seks zit tussen de oren van volwassenen met erotische belangstelling voor kinderen, en ook tussen de oren en in de bril van degenen die een betrokkenheid tussen volwassenen en kinderen beoordelen. Het grote bezwaar rond contacten is altijd en overal de seks, al bestaat die maar uit het aanraken - ‘betasten’ - van de blote piemel van een jongen. Dat de ermee gegeven geilheid wederzijds kan zijn en vergezeld door wederzijdse genegenheid, dit menselijke wordt vrijwel alleen door ervarings-deskundigen onderkend. Ook een echte liefkozing kan als Het Verschrikkelijke gezien worden. 

Wat is hier in vredesnaam het geval?

Dat het bij het beoordelen altijd en overal alleen maar over seks gaat, ja allicht! Voor de wetgever is de essentie toch nou juist de seks (ontuchtige handelingen, seksueel binnendringen), voor de gewone burger en z’n pers is het heikele punt: seks met kinderen; het is dan ook identiek aan ‘zich aan kinderen vergrijpen’ (erger dan moord, zo wordt niet alleen in de Angelsaksische landen betoogd); dwang, onderdrukking, geweld, exploitatie  komen er eventueel bij en maken het verboden sekscontact alleen maar erger dan het al was. Dat niet seks, maar onderdrukking, dwang etc, strafbaar zouden moeten zijn en onze aandacht waard, is door anderen al beter, en uitvoeriger dan hier kan, beargumenteerd en bepleit. [*35]   

Seksualiseren mag zeker een bezwaar, een handicap genoemd worden. De obsessie voor het seksuele, dit kijken met een seksbril, bedreigt in bedervende zin ongetwijfeld in hoge mate menselijke mogelijkheden in relaties, en evengoed een zinnig beoordelen van menselijke relaties en de zwakheden of mogelijkheden daarin. Maar het is bepaald niet een partiële vorm van blindheid alleen aan de kant van enkele volwassenen, en het is ook niet iets van alleen vandaag of gisteren.    

Jos van Ussel heeft in zijn indrukwekkende GESCHIEDENIS VAN HET SEKSUELE PROBLEEM van 1968 de geschiedenis van precies dit probleem gereconstrueerd. De studie, die net zo goed ‘de geschiedenis van het seksualiseren’ had kunnen heten, laat zien dat het seksualiseren curieus genoeg maar overduidelijk het resultaat is van het gebruikelijk geworden socialiseren; het pedagogisch weghouden van het ‘seksuele’ deel van het leven is juist de voedingsbodem van een obsessie ervoor. 

In 1976, bijna tien jaar later, zegt Van Ussel in het artikel in de Gids WIE HOUDT ER NIET VAN KINDEREN? (ondertitel: Bespiegelingen over de ontwikkeling van de westerse houding tegenover het kind): 

“De belangstelling voor het ‘seksuele’ was wellicht nooit zo groot als toen men haar het felst wilde bestrijden.” [*36] 

Hoe ‘seksueel’ onze samenleving bijna ruim twintig jaar later is (geworden, gebleven?), hoef ik, dunkt mij, voor degene die zintuigen heeft om waar te nemen, niet zo uitgebreid meer te beschrijven. Maar men kan zich wel afvragen hoe het zit met het besef van hoe centraal dit ‘seksuele probleem’ ligt. 

Net terug van een uitgebreide studiereis naar Amerika - nazomer 1988 - werden twee van de vier prominente deelnemende Nederlandse vrouwen uit de hulpverlening inzake seksueel misbruik en -geweld geïnterviewd in de Mannenkrant. [*37] 

In het interview wordt de Amerikaanse hulpverlening aan adolescenten-daders besproken onder het kopje ”Jongens zijn jongens”. Uit onderzoek was gebleken dat volwassen plegers op jonge leeftijd begonnen zijn, dus je moet er eigenlijk vroeg(er) bij zijn: als ze jong zijn, moet je ze in therapie hebben.

“Dat is", zo zegt Carla van Lichtenburcht, "een soort heropvoeding, heel veel praten over waarden en normen, hoe je relaties legt, wat dat voor je betekent.”  

Kloosterman voegt daar o.m. aan toe: 

“Het blijkt dat die kinderen al op heel jonge leeftijd alles verseksualiseren.”

Verseksualiseren

het is een veel gehoord, gevleugeld woord in de tegenwoordige hulpverlening en bestrijding van seksueel misbruik van vrouwen en kinderen... 

De mannen, de jongens verseksualiseren alles - het gaat mijns inziens vooral en allereerst om een maatschappelijk en cultureel probleem, dat wordt geïndividualiseerd en verklaard als slechts ‘iets van’ een categorie mensen, de daders. Het onderwerp in kwestie, seksueel misbruik en - geweld, tegen wie dan ook, is erg genoeg; [*38] maar zo komen we er niet: het gaat niet om enkelen, en zou een therapie helpen? 

In 1988 ook trof de TV-serie WAR IN KOREA me. In het laatste deel [*39] werd gerapporteerd over de communistische pogingen Amerikaanse gevangenen te heropvoeden - naar bleek een vrijwel onmogelijke opgave, niet zozeer door de persoonlijke, karaktervolle ruggengraat van de individuele man, maar door de geïnternaliseerde waarden en normen van het thuisfront en door de sancties die stonden (staan) op verwerpen of maar kritiseren van het enig geldige gelijk: dat van het socialiserende sociaal-culturele collectief thuis. Ik wil maar zeggen: het is niet iets individueels, en ‘even veranderen’ is er niet bij. [*40]     

Het nieuwe type mens, dat van de burgerlijke samenleving, zo zegt Van Ussel in het Gids-artikel, is vervreemd van de eigen gevoelens en behoeften. 

“De kinderen, zo is zijn harde oordeel, worden psychisch verminkt om, zoals lichamelijk verminkte bedelaars, meer succes te kennen in de burgerlijke maatschappij.” 

En: het zijn niet de zo gesocialiseerde 

“mensen die hun eventuele ervaringen met of behoeften aan seksuele contacten met kinderen zullen durven te waarderen” (p. 452).  

En de pedo’s dan? 

Ik denk, dat ook de pedo’s als kinderen van hun tijd, wellicht met verschillen tussen mannen en vrouwen, [*41] inderdaad nogal bezig zijn met de seks zoals de samenleving dat wil: het gebruikelijke dubbelleven; seks hoort ‘gewoon’ bij een persoon, maar het moet wel privé gehouden worden, achter de eigen voordeur en liefst nog achter de gordijnen (het gaat om de private parts...); in de presentatie naar buiten neutraal, functioneel, keurig, vrijwel a-seksueel; wat men privé, thuis denkt en doet, dat heeft iets van een geheim, een publiek geheim eigenlijk. 

De enkele pedo’s en de vele, vele anderen met seksuele beleving met kinderen echter zal het geraje zijn dat het echt geheim blijft: zij verdubbelen het dubbelleven nog een keer en houden op dat hun privé-leven de normale geheimpjes behelst. 

Stiekem is dus geen kenmerk van pedo’s, maar van hun samenleving - onze samenleving.  

Maar hoe zijn zij en anderen dan met seks bezig? 

Met seks bezig zijn, kan zoals we zo langzamerhand toch (kunnen) weten, op heel wat verschillende manieren en in zoveel verschillende intensiteiten - maar de heersende, meest bepalende norm is nog steeds de ‘hetero-norm’, [*42] die bovendien macho, neuken- en orgasmegericht is. 

We hoeven er dus niet luchtig over te doen: ze zullen dus in meerderheid op kinderen gericht zijn als waren ze speelgoed of snoepgoed. Of zoals Kiestra in XL van oktober 1994 het omschrijft:

“Volwassenen denken bij seksualiteit puur aan neuken en orgasme en zijn vooral extreem orgasme-gericht om vooral niet kwetsbaar te zijn.”  

En of het ermee samenhangt of niet: er is honger. De uitspraak van ik denk Woody Allen, die altijd de hilariteit van de herkenning oproept en des Pudels Kern raakt, drukt het puntgaaf uit: 

”Er zijn in het leven maar twee dingen belangrijk: het eerste is seks en het andere... daar kan ik nou zo gauw niet meer opkomen.” 

Ik denk dat er over geen ander terrein van ons leven zoveel moppen in omloop zijn als over seks [*43] en das lässt tief blicken...  

Vooral sinds de seksuele revolutie 

is er natuurlijk publiek, maatschappelijk en zeker individueel of persoonlijk in onze samenleving nogal wat veranderd. 

De hier gegeven typeringen van onze samenleving, als een die een obsessie voor seks gecombineerd met een negatieve houding ertegenover aan haar bewoners meegeeft, zijn inmiddels veel te generaliserend. Toch lijkt het er in onze Noordwesteuropese regio op dat in de strijd tegen seksueel misbruik en - geweld diezelfde generaliserende beschrijvingen van een anti-seks-houding en -opvoeding in ieder geval wel weer adequate typeringen beginnen te worden van hoe er publiekelijk wordt geageerd en gereageerd als het om seks van en met jeugdigen gaat. 

Mannen en vrouwen die wat met kinderen willen, zijn onze aandacht meer dan waard, want er zijn veel slachtoffers. Maar zo, met weer die al dan niet geïmporteerde repressie, komen we er dus juist niet. 

Het kan niet anders, meen ik,  dan ongezond zijn en vanuit een oogpunt van preventie averechts uitpakken, wanneer ook de mensen die goddank wel levenskunst op dit gebied hebben opgedaan en die niet seksualiseren, massaal helemaal ondergronds moeten en geen zichtbaar toonbeeld kunnen zijn van hoe het ook kan.  

6.2 Nog een complicatie: de kinderen en hun mogelijkheden

Zouden de kinderen op hun beurt dan ruimte krijgen voor ‘de natuurlijke geneigdheid te beminnen en bemind te worden’ als die zo infantiliserend, van lust- en seksvijandig tot behoedzaam ontmoedigd in sexualibus zijn voorgelicht en opgevoed? Ik geloof dat het aan hun kant ook al niet eenvoudig ligt met kansen voor de natural tendency waarmee ze in hun eerste maanden ongetwijfeld kennis maakten.

De onderzoeken, de hulpverleningsrapporten, zelfs de officieren van justitie in hun aanklacht maken steevast melding van de verwarring, het onthand zijn, emotioneel ontredderd en geshockeerd zijn van de in het sekscontact betrokken geraakte kinderen, ook wanneer het gaat om door hen zelf gewilde contacten. [*44 & *28] 

Voor de meeste kinderen van de casussen waar ik bij betrokken ben geweest en die ik van nabij heb kunnen meemaken, meen ik, zijn deze en dergelijke beschrijvingen van hun gemoedstoestand en reacties maar al te zeer van toepassing. Parallel aan de percentages die ik suggereerde bij het aanstippen van de socialisering van de volwassenen, inclusief de pedo’s onder hen als kinderen van hun tijd, waag ik de (veronder)stelling te zetten, dat zo’n 80 procent, in ieder geval veruit de meerderheid van de kinderen van nu niet goed in staat is een erotisch-seksuele vriendschaps- of liefdesrelatie, een intiem of lustvol contact met een volwassene aan te gaan en te genieten. “Allicht en dat is maar goed ook!”, zeggen de meeste deskundigen in koor, “ze kunnen het niet en ze mogen het niet.”

Zou hiermee nou alles gezegd zijn, of is het misschien zo dat ze het niet kunnen omdat ze het niet mogen en dus ook niet mogen kunnen; omdat we het hun niet leren en we het hun zelfs niet willen toestaan? ‘Kinderen kunnen niet verder springen dan de polsstok (van de volwassenen) lang  is’, zo is het probleem als dilemma of paradox getypeerd. [*45] 

Voor veel jongeren zal het zo liggen, maar toch: onder de eerder genoemde dekmantel van ‘die van ons doen zoiets niet’ gaat het leven z’n gangetje, zoals ook degene kan vermoeden die zich met mij verwondert over de vrijplaats die jongeren zich tegenwoordig op hun houseparties en bij de informele afleidingen ervan  creëren. Ik vrees dat de afstand tussen allochtone kinderen/jongeren en hun ouders met name op het terrein van intimiteit en (eigen) lustbeleving, erotiek en seksualiteit nog aanmerkelijk groter is dan het geval is bij de autochtone Nederlanders. Er is werk aan de winkel voor een multiculturele NVSH!

Ook nader contact met de kinderen en met andere betrokkenen in (hulpverlenings-)praktijksituaties, en verdere verdieping in de geschiedenis van de casussen, levert belangrijke aanvullende informatie op, ‘nieuwe feiten’ zelfs. Deze werpen een ander licht op het gebeurde, geven er een andere waardering aan. De gerezen problemen, met name die van en voor de desbetreffende kinderen, kunnen we dan vaak anders benoemen; we kunnen zelfs andere, belangrijkere problemen signaleren.

Ik wil dit illustreren met twee voorbeelden van geheel verschillende aard

Het eerste voorbeeld 

betreft de beschuldiging van seksueel misbruik van een vierjarig zoontje door de vader; de ouders zijn gescheiden, het zoontje woont bij de moeder. De moeder verdenkt haar ex-man van (ernstig) seksueel misbruik van hun zoontje als deze bij hem op bezoek is. De zaak wordt door de moeder aanhangig gemaakt; justitie gelast onderzoek. 

De beantwoording van de vraag wat er precies was gebeurd en of dat seksueel misbruik zou moeten heten (‘incest’) werd als karwei aan een therapeut gegeven. Deze heeft in negentien(!) zittingen gedurende bijna zeven maanden het jongetje onderzocht - bij het begin van het onderzoek was het jongetje drie jaar en negen maanden oud. Daarbij heeft hij hem allerlei tests afgenomen die, ofschoon sommige ervan in het vak omstreden zijn, gebruikelijk zijn bij de diagnostiek van psychische problemen van kinderen; hij heeft spelsessies ingelast en uitgebreid geprobeerd het kind aan de praat te krijgen, mede aan de hand van de bekende anatomisch correcte poppen.

“Who is the slayer, who is the victim? Speak” 
(Sophocles, geciteerd in The Family of Man). 

De therapeut concludeerde inderdaad tot ernstige vormen van seksueel misbruik door de vader.

Naar mijn oordeel echter wordt hier een kind psychisch vermalen in het ‘gevecht’ van de vrouw met haar ex-man, resp. tussen de echtelieden, en vervolgens nog eens door de therapeut. Een kind onder het mom van hulp of therapie verhoren en onderzoeken in rechercherende zin, was en is naar mijn normen volstrekt ontoelaatbaar, en welke therapeut vermag dit anders te zien? [*46] 

Het is in z’n extremiteit misschien een hachelijk voorbeeld; maar het presenteert in die drift om ‘de onderste steen boven te krijgen’ iets van de ontremming waar veel meer jongeren zich voor gesteld zien van de kant van hen die hun bescherming op het oog hebben. Het is een dreiging, zo vertrouwd dat hij nauwelijks zichtbaar is.  

Het tweede voorbeeld 

betreft de casus van de dertienjarige jongen die (zo luidde de beschuldiging) door een volwassen buurtbewoner seksueel misbruikt was. De door de ouders geconsulteerde arts raadde na een gesprek met de jongen de ouders aan aangifte te doen bij de politie. 

De jongen had verteld dat hij in contact was gekomen met de aardige man, met wie hij goed kon opschieten en die hij was gaan vertrouwen. De jongen verklaarde wel in verwarring te zijn en erg teleurgesteld in de man door het sekscontact; dit sekscontact vond hij toch ook niet erg in de haak. 

Ik ken de arts als een erg aimabele man; als íemand open en niet-suggestief met kinderen kan praten, dan is hij het wel. Dat deze jongen heeft gezegd wat hier is aangehaald, geloof ik dus zonder voorbehoud. 

En toch... De jongen was nu puber wordend regelmatig ‘lastig’ thuis, hij bleek z’n eigen weg te (willen) gaan, nogal balsturig. Z’n ouders hadden hem herhaaldelijk ‘ten strengste verboden’ bij de desbetreffende man te komen. 

Toen bleek dat hij toch bij die man kwam en toen ook nog bleek dat er seks in het spel was geweest, was de boot aan. De man werd, na aangifte bij de politie, opgepakt en een paar dagen vastgehouden voor verhoor. Hij gaf het sekscontact toe, dat hij beschreef als wederzijds gewild en door beiden op prijs gesteld. 

Veertien dagen nadat de man weer thuis was, stond de jongen weer bij hem voor de deur, wat bedeesd en onzeker over de reactie van de man. Of hij binnen mocht komen. De man legde uit dat hij hem niet binnen mocht laten en dat nu ook wilde noch durfde - in het belang van beiden. Hij zei wel blij te zijn hem weer te zien. Nadat de jongen nog een paar keer voor de deur had gestaan, liet de man  hem toch weer binnen - de jongen wilde graag weer seks met hem hebben. 

Ik laat nu buiten beschouwing of de man hier goed of niet goed heeft gehandeld (ethisch, pragmatisch verstandig enz.), dan wel of het contact of de relatie wel of niet goed voor de jongen was. 

Relevanter lijken mij de twee volgende vaststellingen. 

Ten eerste

de jongen kon zich op geen enkele manier meer permitteren (vgl. Alice Miller in DU SOLLST NICHT MERKEN) een reële voorstelling van zaken te geven over wat er was gebeurd en hoe hij dat zelf echt vond, thuis niet  waar seks sowieso taboe was en seks met een volwassene extreem slecht, maar ook niet in het gesprek met de arts, die hij natuurlijk zag en beleefde als verlengde van de heersende mening die volstrekt afwijzend was. Het was voor de jongen, zelfs bij deze ervaren arts, niet moeilijk overtuigend mee te klagen over wat de man verkeerd had gedaan. 
De voor ouders, arts en politie verborgen blijvende, reële inside-information over en van de kant van de jongen is onontbeerlijk voor een genuanceerde beoordeling en waardering van wat er aan de hand is - die is alleen verkrijgbaar in contact en vertrouwen, voor wie voor kinderen bereikbaar is (zoals ik dat eerder heb aangeduid in mijn stelling van de communicerende vaten). Dat is dus niet alleen afhankelijk van de individuele, persoonlijke houding en opstelling, zoals het voorbeeld van de arts in deze casus laat zien.

Ten tweede: 

de eigenlijke problemen, die mij ernstiger lijken dan wat er tussen jongen en man was gebeurd, ook uitgaande van de door de ouders etc. beleden waarden en normen over opvoeding en de relatie tussen ouders en kinderen, blijven onbenoemd en ongemoeid. 
Het zijn de relatie- en gezagscrisis tussen ouders en opgroeiende zoon en de groeiende afstand tussen hen op zo’n belangrijk terrein als intimiteit, relaties en seks, die vermoedelijk lange tijd in dit gezin onbespreekbaar zullen zijn i.c. onbespreekbaar zullen blijven - want dat waren ze al lang. Voor deze problemen zouden hulp en ondersteuning gevraagd resp. geboden dienen te worden.

De jongen uit het tweede voorbeeld kon, zoals dat voor de meeste kinderen in de gerapporteerde zaken geldt, met niemand over zijn belevingen  met ongetwijfeld z’n voors en tegens, z’n vragen en z’n onzekerheden  praten; hij moest ze, gezien de extreem afwijzende opstelling van zijn ouders, extreem geheim zien te houden. Dat lijkt mij niet bevorderlijk voor een ontspannen en vrij genieten, en niet gunstig voor een evenwichtige ontwikkeling. 

Dat ‘met niemand kunnen, maar vooral met niemand mogen praten’ wordt m.i. vaak terecht als één van de problemen van seksueel misbruik genoemd. De vraag is echter of het ‘waarom er niet gepraat wordt maar gezwegen’ altijd zo vanzelfsprekend als te doen gebruikelijk als onderdeel kan worden gezien van alleen het onderdrukkende repertoire van de dader(es). 

De vraag is dus hoe men het probleem analyseert, benoemt en vervolgens hoe men het waardeert. De lering die men doorgaans uit de casussen trekt - conclusies, voorgestelde oplossingen - verdient dan ook naar mijn oordeel met een extra portie voorbehoud te worden beoordeeld.  

6.3 Een laatste complicatie bij emancipatie: de interventie

In de laatstgenoemde casus tekent zich iets af dat in het boek van Randall op pag. 222 in het hoofdstuk “Professional intervention and the rights of the child” aan de orde is: de vaak gemengde, dubbele gevoelens bij het slachtoffer van seksueel misbruik door bijvoorbeeld de vader. Er ontstaat voor een kind een akelig dilemma als er alleen de keus is tussen een situatie maar laten voortduren aan de ene kant en de officiële politionele interventie aan de andere. [*47] 

Er worden in contacten fouten gemaakt; er moeten altijd dingen geleerd worden, natuurlijk kan er aanleiding zijn tot bijsturen door betrokken omstanders, maar wat te doen als er dan geen keus is tussen alles en niets? 

Hoe twijfelachtig de maatschappelijke situatie voor jongeren op dit punt is, blijkt naar mijn idee uit het bezwaarlijke van interventie zelfs wanneer daartoe alle aanleiding is. Want een laatste complicatie is het heikele probleem van aangifte doen, heikel als daar tenminste zo maar de machinerie van politie en justitie mee in gang wordt gezet met z’n eigen mechanismen, z’n eigen eisen (hard maken van vermoedens en verdenkingen, verhoren, toetsen door de verdediging) en z’n eigen invloeden (wat is dan nog oorzaak en gevolg waarvan?!).

Ik pleit er dan ook voor dat in een zo vroeg mogelijk stadium met een aantal vaste, ervaren mensen (van diverse instellingen, meerdere disciplines en ik denk voor een deel toch ook vergelijkbaar met Randall’s counselling service) even nuchter als doordacht een inschatting gemaakt wordt van het (door ouders, leraren of politie) gemelde probleem en van de stappen die vervolgens het beste kunnen worden gezet, beoordeeld vanuit het belang (ook het lange termijn-belang) van alle betrokkenen, te beginnen bij het belang van de kinderen. 

Het komt mij bijna voor als een wetmatigheid: wat in het belang van de bij de casus betrokken kinderen is, is ook in het belang van de desbetreffende volwassenen; ik probeer deze opvatting steeds aan de relevante betrokkenen voor te leggen, minstens als criterium voor handelen en als doel, als perspectief dat motiverend kan werken. 

Dat ook kinderen naar zo’n ‘team’ zouden moeten kunnen stappen voor hulp bij en bescherming tegen een te ‘strikte’ opvoeding die hun zelfbepaling, hun geestelijke en persoonlijke integriteit bedreigt, ja, dat zou ik graag willen bepleiten. Zolang dat echter nog geen reële mogelijkheid voor kinderen is - of is hij er wel maar zie ik ‘m niet? -, moeten ze het proberen bij de anonieme Kindertelefoon, bij VPRO's Achterwerk en bij die enkele volwassenen die wel bereikbaar voor hen zijn, maar dan min of meer stiekem en ondergronds. 

Met name het Midden-Limburgse CLAS-project (Contextuele Leergroepen voor Alle Betrokkenen bij Seksueel Misbruik) [*48] laat overduidelijk zien, dat het - vooral als het om kinderen gaat en juist in hun belang - meer oplevert als de politie en justitie-machinerie niet in werking wordt gezet en in plaats daarvan de CLAS-hulpverlening wordt ingeschakeld. 

“Ons eigen wetssysteem", zo zegt Els Nieskens [*49] van het CLAS-project, "geeft ons de tijd, zodat we niet in paniek naar de politie hoeven te lopen. Ik heb in mijn jarenlange loopbaan nauwelijks of geen ‘geslaagde’ processen zien voltrekken via strafvervolging. Een rechtszaak kon soms enige genoegdoening door justitiële erkenning op korte termijn bieden.”

Om eventuele misverstanden te voorkomen, wil ik wel zeggen, dat ik niet tegen inschakeling van de politie ben; ook de politie zou ik graag bij het vroeg in de schakelen team - zie boven - hebben. Aangifte doen kan altijd nog, als het echt nodig is - en daarmee ga ik niet op de stoel van de wetgever, de officier van justitie, laat staan op die van de rechter zitten. Als om strijd betoogt iedereen dat het belang van het slachtoffer centraal staat,  en dat de zin van de wet is kinderen beschermen; ziedaar wat de inzet is.

Bijlage

Voor onze Europese regio is de inhoud van het boek geen onbekende stof.
Wat ik alleen al zo uit mijn huis-boekenkast kan pakken! Ik kan er een korte presentatie van geven om te illustreren wat ik bedoel, daarmee en passant de voornamelijk Engelstalige literatuurlijst van Randall aanvullend.

Vorige Omhoog Volgende