Start Omhoog

Delen uit

Requiem voor Kyoto

Hans Labohm, Trouw 8 oktober 2005
[Geplaatst met dank aan de auteur]

Hans Labohm is met Dick Thoenes en Simon Rozendaal auteur van Man-Made Global Warming: Unravelling a Dogma (isbn: 0 906522 25 0). Sinds kort is hij 'expert reviewer' van het IPCC.

Het aflopen van de eerste fase van het Kyoto-klimaatverdrag in 2012 betekent tevens het einde van dit verdrag, meent econoom Hans Labohm. Ontwikkelde landen als de VS en AustraliŽ, en opkomende landen als China, India en BraziliŽ deden al niet mee. Nu heeft ook ItaliŽ aangekondigd in 2012 te zullen uitstappen. En Tony Blair heeft onlangs laten weten geen heil te zien in een vervolg op Kyoto, omdat het te duur is. Hij ziet meer in een technologische aanpak van milieuproblemen. Kyoto: het is einde oefening.

[...]

Waterdamp is voor 90 % verantwoordelijk voor het broeikaseffect, en daar heeft de mens geen invloed op. Daarnaast is CO2 belangrijk. Van de CO2-uitstoot wordt slechts zo'n 4 % door de mens veroorzaakt; de rest is van natuurlijke oorsprong. Uit dit alles blijkt dat de menselijke bijdrage aan het totale broeikaseffect erg klein is.

Katrina en Rita

Door de orkanen Katrina en Rita die de VS onlangs hebben getroffen, is het klimaatdebat weer opgelaaid. Is er een verband tussen de opwarming van de aarde (door welke oorzaak dan ook: natuurlijk of menselijk) en de kracht van deze orkanen?

Volgens Max Mayfield en Hugh Willoughby, orkaan-deskundigen uit Florida, hangt de huidige verhoogde activiteit samen met een natuurlijke cyclus: de Atlantic Multidecadal Oscillation (AMO), een 50-70 jaar durende cyclus van temperatuurvariabiliteit, waarbij perioden met lagere orkaanactiviteit worden afgewisseld door die met hogere. De afgelopen 35 jaar waren uitzonderlijk door de relatief geringe frequentie en kracht van de orkanen. Voor de komende twintig jaar verwachten zij meer orkaanactiviteit. De opwarming van de aarde speelt volgens hen niet of nauwelijks een rol.

Een andere expert, Kerry Emanuel van het Massachusetts Institute of Technology, die dat tot voor kort ook vond, heeft echter onlangs verklaard dat er sterke aanwijzingen zijn dat er een samenhang bestaat tussen de toenemende concentratie broeikasgassen in de atmosfeer, de hogere temperatuur van het zeewater en de kracht en duur van orkanen. Maar het was volgens hem onmogelijk om aan te geven in welke mate het broeikaseffect meespeelde. Weer andere deskundigen wijzen erop dat er thans minder orkanen zijn dan zo'n zestig jaar geleden. Maar de statistieken zijn niet volledig genoeg om er harde conclusies uit te trekken.

De schade die de orkanen aanrichten neemt wťl toe. Maar dat komt vooral omdat de bebouwing in de betrokken kustgebieden door de bevolkings- en welvaartsgroei explosief is toegenomen.

Ruim anderhalf jaar geleden (14 februari 2004) schreef ik hier een artikel ('Het milieumanifest'), waarin ik de stelling verdedigde dat de zorg voor het milieu in ons land te ver was doorgeschoten en dat te weinig rekening werd gehouden met een nuchtere kosten/baten-analyse van milieumaatregelen. Vooral over Kyoto - het verdrag dat beoogt de menselijke uitstoot van broeikasgassen, in het bijzonder CO2, aan banden te leggen - liet ik mij zeer kritisch uit. Het kwam mij op bestraffende reacties te staan van VROM-staatssecretaris Pieter van Geel (Trouw, 21-2-2004), wetenschapsredacteur Joep Engels van Trouw (21-2-2004) en milieuhistoricus Wybren Verstegen (Trouw, 17-4-2004).

[...]

Maar wat is er nu in de tussentijd gebeurd? Op drie terreinen hebben zich ontwikkelingen voorgedaan die mij wellicht niet helemaal in het gelijk hebben gesteld, maar die toch eerder mŪjn kant opgingen dan die van mijn opponenten. In de eerste plaats geldt dat de wetenschappelijke onderbouwing van de menselijke bijdrage aan het broeikaseffect. In de tweede plaats de economische aspecten daarvan. En in de derde plaats de internationale politieke ontwikkelingen ten aanzien van Kyoto.

Gebroken hockeystick

Op het gebied van de klimaatwetenschappen is inmiddels duidelijk geworden dat de zogenoemde hockeystick-grafiek van Mann, Bradley & Hughes (Mann e.a.) niet deugt. Deze grafiek nam een vooraanstaande plaats in in de laatste rapporten van het Intergovernmental Panel on Climate Change

(IPCC: een netwerk van klimatologen en andere wetenschappers, dat periodiek bij elkaar komt onder auspiciŽn van de VN om een inventarisatie te maken van de vorderingen op het gebied van de klimaatwetenschappen en de effecten van klimaatveranderingen op de samenleving).

Ja, zij werd zelfs als het icoon van het IPCC gekwalificeerd. Deze grafiek geeft een reconstructie van de gemiddelde oppervlaktetemperaturen op het noordelijk halfrond over de laatste 1000 jaar. De grafiek laat een geleidelijke temperatuurdaling zien van het jaar 1000 tot ongeveer 1900 (de stok van hockeystick) om daarna snel te stijgen (het blad van de hockeystick). De curve is zeer suggestief, ja zelfs vreesaanjagend [...]. Zij lijkt een waarschuwing in te houden dat de mens verantwoordelijk is voor de recente opwarming van de aarde; een opwarming zonder precedent!

Maar die grafiek bleek niet juist te zijn. In november 2003 publiceerden de klimaatsceptici Steven McIntyre and Ross McKitrick een forse kritiek op de grafiek in het blad Energy & Environment. Hun artikel werd aanvankelijk genegeerd. Pas toen in februari 2005 een nieuwe en meer uitgebreide versie verscheen in het blad Geophysical Research Letters, vond het weerklank. Dit kwam ook omdat enige maanden daarvoor een evenzeer kritisch artikel was gepubliceerd door de bekende Duitse klimatoloog (geen klimaatscepticus) Hans von Storch met enkele anderen, in het blad Science. Von Storch noemde de hockeystick zelfs Quatsch (Duits voor 'onzin').

McIntyre en McKitrick gebruikten dezelfde gegevens als Mann e.a., maar kwamen voor de Middeleeuwen tot aanzienlijk hogere temperaturen, zelfs hoger dan de huidige temperaturen [...]. Met andere woorden, ze waren niet in staat de temperatuurreconstructie van Mann e.a. te repliceren. Replicatie wordt in de wetenschap als een goede methode gezien om de juistheid van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek te bevestigen. In de wetenschap geldt dan ook de regel dat men collega's hierbij behulpzaam dient te zijn door hun opening van zaken te geven. Mann e.a. hebben echter lange tijd de boot afgehouden. Pas na lang aandringen hebben zij de gegevens van hun onderzoek ter beschikking gesteld, maar niet de door hen gebruikte berekeningsmethode.

Verder is het opvallend dat de rode curve in de hockeystick-grafiek - de temperatuurmetingen met behulp van thermometers over de laatste 140 jaar - niet afkomstig is van Mann en anderen, maar van een andere bron. McIntyre en McKitrick zijn hier niet op ingegaan omdat het hun slechts te doen was om een controle van het werk van Mann.

Andere klimaatsceptici hebben het rode deel van de curve echter wťl scherp bekritiseerd. In de eerste plaats vanwege het feit dat men in de statistiek voorzichtig dient te zijn met het 'aan elkaar plakken' van gegevens die volgens verschillende methoden zijn verkregen. Sommige statistici beschouwen dat zelfs als een doodzonde.

Daarnaast hebben de sceptici kritiek op de dekking van het netwerk van thermometers dat is gebruikt om een gemiddelde wereldtemperatuur te meten. Dit netwerk vertoont grote gaten en tekortkomingen, vooral in de Derde Wereld, op de oceanen en aan de polen. Maar nog belangrijker is hun bezwaar tegen het feit dat er onvoldoende is gecompenseerd voor het stadseffect. Veel thermometers zijn opgesteld in steden of op vliegvelden die in de loop der tijd zijn uitgebreid. Door hoge gebouwen die de wind tegenhouden en doordat beton en asfalt warmte absorberen, zijn die steden warmer geworden. Maar dat heeft niets met het broeikaseffect te maken. Is daar voldoende voor gecompenseerd? Daarover is tot dusver nooit opening van zaken gegeven.

Doordat Mann e.a. zo geheimzinnig deden over hun berekeningsmethode rees het vermoeden dat zij met opzet selectief te werk waren gegaan bij de verwerking van hun gegevens. Derhalve is in de VS een parlementair onderzoek tegen hen gestart door het Amerikaanse House Committee on Energy and Commerce. De voorstanders van de antropogene broeikashypothese hebben hiertegen heftig geprotesteerd. Zij spraken zelfs van een McCarthy-achtige heksenjacht tegen deze wetenschappers.

Is dit verwijt terecht? Ik dacht het niet.

De politiek hoort zich in beginsel natuurlijk terughoudend op te stellen tegenover de wetenschap. Maar de klimatologie is sinds jaar en dag door en door gepolitiseerd - helaas ietwat eenzijdig. Aan de lopende band doen politici alarmerende uitspraken over het klimaat. Ook de troonrede bevatte onlangs weer een omineuze verwijzing naar het klimaat. De klimaatindustrie mag zich verheugen in een grote populariteit bij de politiek met de daarbij behorende brede subsidiestromen, mits zij de vooropgezette conclusie ondersteunt dat er iets verschrikkelijks met ons klimaat aan de hand is, dat dat door de mens wordt veroorzaakt en dat daar maatregelen tegen dienen te worden genomen.

Bepaalde theorieŽn op klimaatgebied vormen dus de wetenschappelijke onderbouwing van zeer kostbare maatregelen met vťrrijkende maatschappelijke gevolgen. Dan moet men er wel zeker van zijn dat die theorieŽn kloppen. Als bedrijven zoals Enron, Shell en Albert Heijn opening van zaken moeten geven bij een vermoeden van onoorbare praktijken, waarom zou dat dan in dit geval niet ook dienen te gebeuren? Het resultaat van de Amerikaanse parlementaire enquÍte naar het werk van Mann e.a. moet overigens nog worden afgewacht.

Ongeacht wat er uitkomt, dient men wťl te bedenken dat de antropogene broeikashypothese niet staat of valt met de juistheid van de hockeystick. Maar het verzwakt wťl het alarmerende argument dat de voorstanders van die hypothese altijd naar voren brengen, namelijk dat de wereld in de afgelopen duizend jaar nooit zulke hoge temperaturen heeft gekend als de laatste tijd.

[... Er volgt een danig klimaat-technisch stuk over temperaturen en publicaties ...]

Het weer werkt weer eens niet mee

De sceptici zijn dus nog steeds van oordeel dat het bewijs dat de mens verantwoordelijk is voor de opwarming niet is geleverd. Daar komt nog bij dat het weer (of liever gezegd: de temperatuur) de laatste tijd bepaald niet meewerkt. Er is een piek in 1998. Daarna gaat de temperatuur sterk omlaag en vervolgens weer geleidelijk omhoog, gevolgd door een wat grilliger verloop [...].

Sinds 1998 is er echter geen opgaande trend zichtbaar. Al met al past deze ontwikkeling niet zo goed in het beeld van steeds maar oplopende temperaturen als gevolg van de menselijke uitstoot van broeikasgassen. Toegegeven, het gaat hier om een relatief korte periode, waaraan geen overhaaste conclusies mogen worden verbonden. Maar toch.

Bovendien moet men bedenken dat het belangrijkste broeikasgas waterdamp is, waarop de mens geen invloed heeft. Dat is voor zo'n 90 procent verantwoordelijk voor het broeikaseffect. Daarnaast zijn er andere broeikasgassen, waarvan CO2 het belangrijkste is. Van de CO2-uitstoot wordt slechts zo'n 4 procent door de mens veroorzaakt; de rest is van natuurlijke oorsprong. Uit dit alles blijkt dat de menselijke bijdrage aan het totale broeikaseffect erg klein is. De berekening is ingewikkeld en controversieel. Onder de aanhangers van de antropogene broeikashypothese komt men op zo'n 4 procent; sommige sceptici komen op zo'n 0,3 procent. Beide getallen zijn dus klein. Maar volgens de eerste groep toch belangrijk omdat het klimaatsysteem zich in een subtiel evenwicht zou bevinden dat daardoor ernstig en blijvend kan worden verstoord. Sommige sceptici daarentegen zijn van oordeel dat het evenwicht robuust is en wel een stootje kan verdragen.

In het pas verschenen boek Klimaatverandering op een waterplaneet; Het CO2-vraagstuk kritisch bekeken van Arthur RŲrsch, Dick Thoenes en Florens de Wit, pleiten de auteurs ervoor om toch vooral een open oog te houden voor alternatieve verklaringen van de geringe temperatuurstijging die er sinds 1900 heeft plaatsgevonden. Zij achten het niet uitgesloten dat de causaliteit omgekeerd is. Dat wil zeggen dat de temperatuurstijging (bijvoorbeeld als gevolg van zonne-activiteit) leidt tot meer broeikasgassen in de atmosfeer, en niet omgekeerd. Dat is dan het gevolg van een snellere verrotting van planten waarbij CO2 vrijkomt en ontgassing van oceanen, die bij hogere temperaturen minder CO2 kunnen bevatten. Deze opvatting wordt ook door veel astronomen, geologen en paleobiologen aangehangen. Binnen het IPCC is zij echter taboe.

Waarom houdt men toch zo angstvallig vast aan de antropogene broeikashypothese? In het boek Global Warming: Myth or Reality. The Erring Ways of Climatology van de Franse klimatoloog Marcel Leroux merkt deze op dat de antropogene broeikashypothese tot staatsgodsdienst is verheven, compleet met hogepriesters die het ware geloof vanaf de kansel verkondigen en die ongelovigen verketteren. En James Schlesinger, voormalig Amerikaans minister van energie, merkte onlangs op dat 'het verbranden van fossiele brandstoffen (een neveneffect van economische groei en een stijgende levensstandaard) het seculiere equivalent is van de Erfzonde. Als we nu maar berouw hebben en niet meer zondigen, dan kan de dreiging van een verdergaande Globale Opwarming worden afgewend'.

Economische kritiek op het IPPC

Er is ook kritiek geuit op de economische scenario's van het IPCC. Het alarmisme over de opwarming van de aarde is gebaseerd op een combinatie van economische- en klimaatmodellen. In de economische scenario's worden veronderstellingen over economische groei en de daarmee verbonden menselijke uitstoot van broeikasgassen gekoppeld aan de klimaatmodellen. Deze bevatten op hun beurt weer bepaalde veronderstellingen over de gevoeligheid van de temperatuur voor de (oplopende) concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer. Als men de economische groeiveronderstellingen iets overdrijft en hetzelfde doet met de temperatuurgevoeligheid, en deze beide vervolgens combineert en extrapoleert naar de toekomst, dan resulteert dit over honderd jaar in een verpletterende Apocalypse.

Volgens een onderzoek van de Select Committee on Economic Affairs van het Britse Hogerhuis is in dit onderdeel van de IPCC-exercitie sprake van een zekere vooringenomenheid. Deze commissie laat in een recent rapport subtiel en diplomatiek weten dat de betrokken economische groep van het IPCC zich schuldig heeft gemaakt aan overdrijving van de groeicijfers van de wereldeconomie. De Hogerhuiscommissie doet de aanbeveling om het Britse ministerie van financiŽn als een soort waakhond bij de exercitie te betrekken om dit soort misstappen in de toekomst te voorkomen.

Maar de commissie had nog veel meer kritiek. Zij sprak het vermoeden uit dat het IPCC de rol van natuurlijke factoren, zoals de zon, had onderschat. Voorts toonde zij zich bezorgd over de objectiviteit van het IPCC-proces. In het bijzonder was zij van oordeel dat de keuze van de scenario's te veel was beÔnvloed door politieke overwegingen. Daarnaast merkte de commissie op dat opwarming van de aarde ook positieve effecten heeft - bijvoorbeeld productiviteitsverbetering in de landbouw en uitbreiding van het landbouwareaal naar noordelijker gebieden. Deze positieve effecten zijn in de exercitie verdoezeld. De commissie dringt dan ook aan op een evenwichtiger voorstelling van zaken alsmede een kosten/baten-analyse.

Wat de effectiviteit van Kyoto betreft bevestigde de commissie dat de maatregelen die in dat kader zijn afgesproken nauwelijks verschil maken voor het temperatuurverloop op aarde. De commissie vond dat de boete op de overschrijding van de emissieplafonds zo hoog was - deze dient namelijk te worden overgecompenseerd in een vervolgfase - dat dit de deelnemers aan het huidige Kyoto zou afschrikken om aan een volgende ronde mee te doen. Daarnaast kapittelde de commissie het IPCC over de veel te optimistische veronderstellingen over de toekomstige rol van duurzame energie. Ook de politieke inmenging bij de benoeming van wetenschappers die aan het IPCC-proces deelnemen kon geen genade vinden in de ogen van de commissie. De commissie had de indruk dat wetenschappers die door het opwerpen van lastige vragen de 'consensus' zouden kunnen verstoren, werden geweerd dan wel genegeerd. Dit is de dood in de pot voor wetenschappelijke vooruitgang.

Bush om? Nee dus.

Langzamerhand is duidelijk geworden dat de kosten van Kyoto hoog zijn, terwijl de baten, in termen van netto afkoeling als gevolg van de voorgestelde maatregelen, ook na tientallen jaren niet aantoonbaar zijn. De schattingen over de kosten van de eerste fase van Kyoto, van nu tot 2012, belopen 500-1000 miljard euro. Daar staat een netto afkoeling tegenover van zo'n 0,02 (tweehonderdste!) graad Celsius in 2050. Dat kan niet op een thermometer worden waargenomen. De jaarlijkse fluctuaties in de gemeten gemiddelde wereldtemperatuur zijn een veelvoud daarvan.

Op politiek gebied is duidelijk geworden dat de meerderheid van de landen in de wereld niets voelt voor de door Europa bepleite Kyoto-benadering van verplichte broeikasemissieplafonds plus een systeem van verhandelbare emissierechten. Doen zij dat omdat zij de onderliggende theorie van het antropogene broeikaseffect als onjuist verwerpen? Of doen ze dat omdat het ten koste zal gaan van hun economische groei? Van de zijde van de Amerikaanse regering zijn verschillende uitspraken bekend die de theorie niet aanvaarden. Maar andere landen hebben zich daar niet over uitgelaten. Voor de meeste regeringen zullen de economische argumenten waarschijnlijk wel de doorslag geven. De ontwikkelingslanden nemen hierbij een aparte plaats in. Zij redeneren dat de geÔndustrialiseerde landen verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van de uitstoot en dat zij, gezien hun wens om de welvaartskloof te dichten, uitgezonderd dienen te worden van de verplichtingen van Kyoto.

Niet alleen ontwikkelde landen als de VS en AustraliŽ, maar ook landen als China, India en BraziliŽ hebben bekend gemaakt niet aan Kyoto en een eventueel vervolg daarop te zullen deelnemen. Ook ItaliŽ heeft aangekondigd te zullen uitstappen als de eerste fase van Kyoto in 2012 afloopt. Het is niet onwaarschijnlijk dat ItaliŽ door andere Europese landen zal worden gevolgd. Rusland is destijds tegen heug en meug akkoord gegaan met Kyoto, omdat dit de voorwaarde was waarop de EU bereid was steun te geven aan de lidmaatschapsaanvraag van Rusland van de Wereldhandelsorganisatie. Dus als ItaliŽ uitstapt, heeft Rusland een ijzersterk alibi om hetzelfde te doen.

[...]

Tot grote vreugde van de voorstanders van Kyoto erkende President Bush op de G8-top weliswaar dat er een antropogene component was in de opwarming van de aarde, maar hij liet zich niet uit over de grootte daarvan. (Hoe zou hij dat ook kunnen? De wetenschap geeft daarover immers geen uitsluitsel.)

In het verleden had hij reeds verklaard dat Kyoto een te grote belasting voor de energie-intensieve economie van de VS zou betekenen. Berekeningen van enkele jaren geleden kwamen wel op 4 procent van het Bruto Binnenlands Product per jaar uit. Voor elke Amerikaanse politicus, van welke politieke signatuur dan ook, zou instemming met een plan dat zulke hoge kosten met zich mee zou brengen, gelijk staan aan politieke zelfmoord. Alleen al daarom was Amerikaanse steun voor Kyoto uitgesloten.

Het eind van het liedje is dat Europa nu in een geÔsoleerde diplomatieke positie verkeert. Tot overmaat van ramp bleek de door de VS voorgestelde benadering om internationaal samen te werken om energiezuiniger en schonere technologie te ontwikkelen, als alternatief voor Kyoto, wťl op steun van andere landen (zoals China, India, Japan, Zuid-Korea en AustraliŽ) te kunnen rekenen. Dat in het kader van een Asia Pacific Partnership on Clean Development. Want ongeacht of er al dan niet sprake is van een antropogeen broeikaseffect, blijft deze doelstelling natuurlijk erg belangrijk. Verspilling is hoe dan ook slecht, en zeker wanneer het gaat om in beginsel eindige hulpbronnen. Voor de Europese diplomatie was het Amerikaanse initiatief, en de bijval die dit kreeg, een slag in het gezicht, want Europa beschouwde zichzelf altijd als lichtend voorbeeld en wereldleider op het gebied van milieu en klimaat. Dat bleek dus verkeerd gedacht.

Dit betekent dat het aflopen van de eerste fase van Kyoto in 2012 tevens 'einde oefening' is. De voorstanders van Kyoto hebben altijd beweerd dat deze eerste fase slechts een eerste zťťr bescheiden stap is die door vele verdere stappen (schattingen variŽren van 10-30) zouden dienen te worden gevolgd. Dat is nu een gepasseerd station. Daarbij dringt zich natuurlijk de vraag op waar het huidige Europese mini-Kyoto nog goed voor is. Het kost een vermogen en het effect is nihil. Bovendien verslechtert het de concurrentiepositie van de Europese industrie, met negatieve gevolgen voor de welvaart en werkgelegenheid in ons deel van de wereld. Zou de verklaring van dit irrationele gedrag misschien moeten worden gezocht in de sfeer van schuld en boete? Hebben we dan toch met een seculiere religie te maken?

 

Start Omhoog